아이반호
Ivanhoe · Walter Scott · 1832
Nieuwe Geïllustreerde Uitgave.
Meesterwerken van
Sir Walter Scott.
Ivanhoe.
Met gebruikmaking van de voortreffelijke vertaling
Van
Dr. M. P. Lindo.
Herzien en ingeleid
Door
Dr Jan ten Brink.
Rotterdam.--D. Bolle.
INLEIDING.
Dat een meesterstuk van Sir Walter Scott opnieuw in het Nederlandsch wordt uitgegeven, schijnt mij een heugelijk teeken des tijds. Het eigenaardig kenmerk der laatste jaren dezer eeuw--de steeds toenemende dorst naar wijziging van het bestaande, naar het nog nooit vertoonde, naar heropwekking van het reeds verouderde--heeft in de anders zoo rustige republiek der letteren reeds onheils genoeg gebrouwen. De herinnering aan een fraai letterkundig kunstwerk, voor driekwart eeuw in het licht verschenen, doet nu bijna de uitwerking van een heilzaam geneesmiddel. Van harte gaarne verleende ik mijne hulp bij deze hernieuwde uitgaaf van den _Ivanhoe_ in onze taal.
Kunstenaars als Walter Scott laten een diepen indruk na op tijdgenoot en nageslacht. De _historische roman_ in proza--als men pleegt te spreken--werd door hem in het leven geroepen, en vond bijval in geheel Europa. In Frankrijk, Duitschland, Nederland en Engeland staat na Walter Scott een heirleger van historische romanschrijvers op.
Het gaat evenwel niet aan den grooten Schotsen verteller voor den schepper van een nieuw letterkundig genre te houden. Epische behandeling van historische stof is zoo oud als de beschaving. Het heldendicht is in zijn gebonden vorm, reeds een soort van historischen roman. Geschiedschrijvers als Thucydides en Xenophon, chroniqueurs als Ville-Hardouin en Froissart, maken door den levendigen dramatischen vorm van het verhaal, door de ingevlochten redevoeringen der aanvoerders, denzelfden indruk, als de historische-romanschrijvers uit de school van Walter Scott. Men zou kunnen beweren, dat de historische roman reeds in de XVIIe eeuw heeft bestaan, daar Mlle Madeleine de Scudéry in 1649 haar grooten heroïschen roman, _Le grand Cyrus_, begon, op welk boek Sir Walter Scott een beroep doet in het 31ste hoofdstuk van zijn _Ivanhoe_.
Het ongemeene, het nieuwe in zijne _Waverley-Novels_ is, dat hij, _voor het eerst_ met wetenschappelijken ijver voor historie en archaeologie bezield, zich de taak oplegt een vervlogen tijdvak te doen herleven met al de kleuren van het oogenblik, met geschiedkundige juistheid van kostuum, architectuur, huisraad, zeden en gebruiken, maar vooral met historische juistheid in de voorstelling van karakters en denkbeelden, die in het gekozen tijdvak de maatschappij beheerschten. In dit opzicht schiep hij iets nieuws, en bezielde eene groote menigte van navolgers. In Engeland kwam Lord Lytton hem het dichtst nabij, in Frankrijk Alfred de Vigny en Victor Hugo (_Nôtre-Dame_, en _Quatrevingt-Treize_), in Duitschland Felix Dahn, George Ebers en Robert Hamerling, ten onzent mevrouw Bosboom-Toussaint, Mr. J. van Lennep, J. F. Oltmans en H. J. Schimmel. Denkt men bij de lezing van _Ivanhoe_ aan de beide laatsten, dan schijnt bij Oltmans de belegering van Loevestein eene verre navolging te leveren der belegering van Torquilstone, den geduchten burcht van Front-de-Boeuf, en bij Schimmel de heks op den toren van het Stichtsche kasteel aan het slot der eerste afdeeling van _Sinjeur Semeyns_, eenigermate te herinneren aan Ulrica, de Saksische heks, op de torens van Torquilstone luid juichend over den door haar gestichten brand.
Walter Scott voltooide zijn _Ivanhoe_ in 1819, tijdens zijn 48ste levensjaar, terwijl hij aan een sleepende ongesteldheid leed, en een groot deel van dezen roman moest dicteeren. In Engeland overtrof de bijval, aan _Ivanhoe_ geschonken, al wat vroeger tot lof zijner voorafgaande kunstwerken gezegd was. Van de eerste editie, een prachtuitgaaf met vele illustratiën, die meer dan een pond sterling kostte, werden in zeer korten tijd 12000 exemplaren verkocht. (Zie Dr. Felix Eberty, _Walter Scott, Ein Lebensbild_. (1860) I. 343).
Sedert 1819 tot heden is van de _Waverley-Novels_, van den _Ivanhoe_, een niet te tellen aantal drukken verschenen. Amerikaansche nadrukken voor 20 Amerikaansche centen, of Engelsche uitgaven voor een sixpence het deel, hebben Walter Scott toegang gegeven tot de onaanzienlijkste woningen--hij heeft in de beide halfronden ettelijken millioenen lezers het hart veroverd.
De _Ivanhoe_ is zeer zeker eene zijner gelukkigste scheppingen. De stof is bij uitstek geschikt tot eene episch-dichterlijke behandeling. Het eind der XIIe eeuw in Engeland, tijdens de afwezigheid van den ridderkoning Richard Leeuwenhart, die ter kruisvaart is getogen, en heimelijk terugkeert--tijdens de samenzwering van Jan zonder Land, en de meer en meer verwilderende plattelandsbevolking, die, uitsluitend van Saksisch bloed, zich in de wouden als stroopers en wilddieven terugtrekt--dit alles bood de stof voor een epos in proza.
Zij, die _Ivanhoe_ in de zorgelooze jongelingsjaren lazen, zullen voor hun leven eene onvergetelijke herinnering behouden hebben--zullen nimmer den statigen, epischen gang van het verhaal hebben vergeten, waarin tal van echt epische personen in den vollen glans der Normandische ridderlijke dapperheid te voorschijn treden.
Voor _Ivanhoe_ heeft de auteur zich zeer degelijke historische studiën getroost. Hij kent vooral de middeleeuwsche chronijkschrijvers, en al de middeleeuwsche volkszangen door Bisschop Percy in zijne "_Reliques of English Poetry_" bijeengebracht. Hij doet het verschil der onderdrukte Saksische landbevolking en van den heerschenden Normandischen adel scherp uitkomen, en vermeit zich in het contrast van beider beschavingstoestanden. Aan de zijde van den valschen regent, later King John, teekent hij verschillende typen van Normandische edelen: Reginald Front-de-Boeuf, den ruwen geweldenaar, die voor geene gruwelen terugdeinst, als zij zijne hartstochten en zijne inhaligheid kunnen dienen,--Brian de Bois-Guilbert, den sceptischen Tempelier, die uit Palestina eene groote minachting voor de kerk en de geestelijkheid heeft medegebracht,--en Maurice de Bracy, den aanvoerder van eene bende lansknechten, die voor niets terugdeinzen, als de woeste huurlingen, welke Oltmans onder de vanen van Perrol met de roode hand in zijn _Schaapherder_ doet ten tooneele komen.
Naast deze Normandische wereld staat de Saksische, die zich beweegt op het landgoed van Cedric, gezegd de Sakser, waar men kennis maakt met de laatste afstammelinge der Saksische koningen, Lady Rowena, met den geestigen nar Wamba, en den dienstman Gurth, Cedric's zoon Wilfrid,--die met Richard Leeuwenhart naar Palestina trok, en daarom door zijn vader als een slaaf der Normandische ridderidealen wordt afgesneden uit de familie--speelt als heer van Ivanhoe de hoofdrol in de tallooze tournooien en _joutes_, die het verhaal de hoogste levendigheid bijzetten.
Juist hierin openbaart zich de nationaliteit van den auteur. Niet in Schotland speelt in _Ivanhoe_ de handeling, als elders bij Walter Scott, maar in Engeland, in de omstreken van York en Ashby-de-la-Zouche. Toch is het echt Schotsch-Engelsch levenselement--de strijd van man tegen man, de strijd, waarbij het op de oefening van spieren, op de kracht van den arm en de vlugheid van het geheele lichaam aankomt--voortdurend het hoofdonderwerp van het verhaal. _Ivanhoe_ is de aaneengeschakelde beschrijving van allerlei ridderlijke _sport_,--eerst het tournooi van Ashby-de-la-Zouche, dan de belegering van den burcht van Reginald Front-de-Boeuf, dan het godsgericht door de Tempeliers over de edele Jodin Rebekka, dochter van Izaäk van York gehouden.
Het optreden van Richard Leeuwenhart, als Zwarte Ridder, zijne persoonlijke heldendaden en ongeloofelijke spierkracht in het hanteeren van zwaard, lans of strijdbijl--maken een boeienden epischen indruk, verhoogd door het waas van geheimzinnigheid, dat geruimen tijd den koning blijft omzweven. De Zwarte Ridder en zijne avonturen in het woud met de vrijbuiters van Robin Hood behooren tot de amusantste deelen der vertelling.
Het eenige wat ons nu als verouderd zou kunnen voorkomen, zijn de vrij uitvoerige gesprekken, die tusschen de handelende personen dikwijls moeten dienen, om historische feiten of maatschappelijke toestanden uit het eind der XIIe eeuw in een helder licht te plaatsen. Maar juist in deze uitvoerigheid, in den breeden, langzamen gang van handeling en vertelling, schuilt de eigenaardigheid van Walter Scott's schrijftrant, die ten slotte zijne lezers in triomf meesleept naar het welvoorbereide slot.
De tegenwoordige uitgaaf volgt de Nederlandsche vertaling van Dr. M. P. Lindo, die in 1872 te Leiden en Delft bij S. C. van Doesburgh en Joh. Ykema het licht zag. Hier en daar zijn noodzakelijke wijzigingen aangebracht, taal en stijl zijn doorgaande herzien. Een enkele maal is aan den voet der bladzijde eene kleine historische opheldering geplaatst.
Het schijnt mij, dat er gerust eene proeve kan genomen worden met het opnieuw popularizeeren van Walter Scott voor Nederlandsche lezers. In Engeland blijkt de belangstelling in den auteur der _Waverley-Novels_ uit de vele geschriften, die nog telkens aan zijn leven en geschriften worden gewijd. In 1878 verscheen de monographie van Hutton, _Sir Walter Scott_, in de verzameling onder den titel van _English men of Letters_ bekend; in 1884 schreef een Schotsch geleerde, Gilfillan, een nieuw _Life of Sir Walter Scott_. In Duitschland werd zijn leven geschreven door Dr. Felix Eberty (1860) en door Elze (1864)--en nog niet lang geleden (1884) gaf een Schotsch predikant (Dickson) een boek uit over het gebruik, dat Walter Scott van den Bijbel heeft gemaakt. (_The Bible in Waverley or Sir Walter Scott's use of the Sacred Scriptures_).
In dit opzicht deelt Walter Scott het lot van groote auteurs--men heeft betoogd, dat Shakespeare een bijzonder scherpzinnig botanist was, en van Cervantes beweerde nog in 1842 een bekend Spaansch medicus, Don Antonio Hernandez Morejon, dat hij een doorkneed patholoog en psychiatricus geweest was, daar hij anders zijn held Don Quixote niet zoo wetenschappelijk juist had kunnen schilderen.
EERSTE HOOFDSTUK.
Zoo spraken ze, onderwijl de herder voor den nacht Het vette zwijnenheir van 't veld weer huiswaarts bracht, Dat, onder luid geschreeuw en lastig tegenstreven, Een ieder naar zijn kot, met moeite werd gedreven.
Odyssee.
In die aangename streken van het schoone Engeland, welke door de rivier de Don bespoeld worden, strekte zich in vroegere tijden een woud uit, dat het grootste gedeelte van de schoone bergen en dalen bedekte, die tusschen Sheffield en de bekoorlijke stad Doncaster liggen. De overblijfselen van dit uitgestrekte bosch zijn nog te zien rondom de prachtige kasteelen van Wentworth, Warncliffe-Park en Rotherham. Dáár spookte, in de aloude tijden, de fabelachtige "Draak van Wantley"; dáár werden vele van de wanhopigste gevechten geleverd, gedurende de burgeroorlogen tusschen de Witte en de Roode Roos; en daar bloeiden ook oudtijds die benden dappere vrijbuiters, wier daden in de Engelsche liederen zoo algemeen beroemd geworden zijn.
Dit is het hoofdtooneel van onze geschiedenis; de tijd, waarin dit voorvalt, is tegen het einde van de Regeering van Richard I, toen zijn terugkomst uit eene langdurige gevangenschap eerder gewenscht dan verwacht werd door zijne wanhopige onderdanen, die intusschen aan allerhande afpersingen van ondergeschikte dwingelanden blootgesteld waren. De edelen, wier macht uitermate groot geworden was onder het bewind van Steffen, en welke het beleid van Hendrik II slechts in zekere mate aan de kroon onderworpen had, leverden zich nu weder, met de grootste stoutheid, aan hunne vorige losbandigheid over; de zwakke pogingen van den Engelschen Raad van Staat verachtende, versterkten zij hunne kasteelen, vermeerderden het getal hunner afhangelingen, maakten allen in het rond tot hunne vasallen, en spanden alle krachten in, om zich aan het hoofd eener macht te plaatsen, die hen in staat zou stellen, eene rol te spelen in de volksonlusten, welke men scheen te moeten duchten.
De toestand van den minderen adel, of der _Franklins_, zooals zij genoemd werden, welke, door de wet en den geest der Engelsche staatsinrichting, het recht hadden bevrijd te blijven van de dwingelandij der leenheeren, werd thans bijzonder hachelijk. Zoo zij zich onder de bescherming van één der kleine koningen in hunne nabuurschap stelden, eenigen leendienst bij hem aannamen, of wederzijdsche overeenkomsten van bondgenootschap en bescherming sloten, en hem in zijn ondernemingen ondersteunden,--hetgeen zij vrij algemeen deden--konden zij, op deze wijze, inderdaad eene korte rust koopen. Maar dit geschiedde ten koste van die onafhankelijkheid, welke zoo dierbaar is aan ieder Engelsch hart, en met het zekere vooruitzicht, om als strijdmakker in iederen vermetelen tocht gewikkeld te worden, welken de eerzucht van hun beschermer hen mocht doen ondernemen. Van den anderen kant waren de middelen tot knevelarij en onderdrukking, welke de groote edelen bezaten, van zulk een aard en zoo talrijk, dat hun nooit een voorwendsel, en zelden de wil ontbrak, om hunne minder machtige naburen, die zich aan hun gezag te onttrekken trachtten, en voor hun bescherming, in tijden van gevaar, op eigen vreedzaam gedrag en de wetten des lands vertrouwden, te kwellen en zelfs tot het uiterste te vervolgen.
Één omstandigheid, die grootendeels strekte om de dwingelandij der edelen en het lijden der mindere standen te verergeren, ontsproot uit de gevolgen van de Verovering, door Willem, Hertog van Normandië. Vier geslachten waren niet voldoende geweest om het bloed der Normandiërs en Angelsaksers te vermengen, of door een gemeenschappelijke taal en belangen twee vijandige stammen te vereenigen, waarvan de één nog steeds met den hoogmoed des zegepraals bezield was, terwijl de andere onder al de gevolgen der nederlaag zuchtte. Door den slag bij Hastings was de macht volkomen in de handen der Normandische edelen geraakt, en, zooals onze geschiedschrijvers verzekeren, gebruikten zij die met geen groote gematigdheid. Het geheele geslacht der Saksische vorsten en edelen was, met weinige of geene uitzonderingen, uitgeroeid, of van hun erfdeel beroofd; ook was het getal gering van hen, die nog erven bezaten in het land hunner voorvaderen, en die geteld konden worden onder de grondbezitters van de tweede, of van eene nog mindere klasse. De koninklijke staatkunde werkte sedert lang, om door alle, zoowel wettige als onwettige, middelen de kracht te fnuiken van een gedeelte der bevolking, hetwelk te recht geoordeeld werd, den meest ingewortelden haat tegen zijne overwinnaars te koesteren. Alle vorsten van den Normandischen stam hadden de grootste partijdigheid voor hunne Normandische onderdanen aan den dag gelegd: de jacht wetten en vele andere, die geheel onbekend waren bij den zachteren en vrijeren geest der Saksische staatsinrichting, waren den onderworpen inwoners opgelegd, als het ware om gewicht te geven aan de boeien, waarin zij door het leenstelsel geklonken waren. Aan het Hof, en in de kasteelen der groote edelen, waar men de pracht en de weelde van het Hof navolgde, was het Normandisch-Fransch de eenige gebruikelijke taal, welke ook in de pleitreden en vonnissen bij de gerechtshoven gebezigd werd. In het kort, het Fransch was de taal der eer, der ridderschap, en zelfs der gerechtigheid, terwijl het veel meer manhaftige en krachtige Angelsaksisch aan de landlieden en het gemeen, die geen anderen tongval kenden, overgelaten werd. Intusschen werd door het noodzakelijke verkeer tusschen de grondeigenaars en hun minderen, welke den grond bebouwden, langzamerhand een tongval gevormd, die het midden uitmaakte tusschen het Fransch en het Angelsaksisch, en in welken zij zich wederkeerig verstaanbaar konden maken; hieruit ontstond trapsgewijs de tegenwoordige Engelsche taal, waarin de spraak der overwinnaars en die der overwonnenen zoo schoon ineen gesmolten zijn, en welke later zoo rijkelijk vermeerderd werd door alles wat men aan de klassieke talen, en aan die, welke de zuidelijke natiën van Europa spreken, ontleend heeft. Ik heb het noodig geoordeeld, dit kort overzicht te geven van den toenmaligen staat van zaken, ter algemeene onderrichting van den lezer, die anders wellicht zou vergeten, dat, ofschoon geen groote geschiedkundige gebeurtenissen, zooals oorlog of opstand, het bestaan van de Angelsaksers als een afzonderlijk volk, na de regeering van Willem II kenmerken, de groote nationale geschillen evenwel, tusschen hen en hun overwinnaars, de herinnering aan hetgeen zij vroeger geweest, en waartoe zij nu gebracht waren, de wonden openhielden, welke de verovering geslagen had, tot onder de regeering van Eduard III, en een scheidsmuur oprichtten tusschen de afstammelingen van de Normandische overwinnaars en van de overwonnen Saksers.
De ondergaande zon bestraalde een van de grasrijke, opene plekken van het woud, waarvan wij in het begin van dit hoofdstuk gesproken hebben. Honderden van breede, kortstammige eiken, die wellicht den deftigen optocht der Romeinsche legioenen aanschouwd hadden, strekten hunne breede, knoestige takken uit boven een zacht tapijt van het heerlijkste groen. Op sommige plaatsen waren ze afgewisseld door beuken, hulst en kreupelhout van verschillende soorten, zoo dicht, dat ze de schuinsche stralen der ondergaande zon geheel onderschepten. Op andere plekken waren openingen in het hout, die vergezichten opleverden, in welker kronkelpaden het oog zich gaarne verdiepte, terwijl de verbeelding ze beschouwde als de wegen, die tot nog wildere tooneelen in het eenzame woud leidden. Hier flikkerden de roode stralen der zon met een gebroken en flauwer licht, dat gedeeltelijk de dorre takken en bemoste stammen der boomen, en ginds, meer schitterend, de open plekken bescheen. Een groote ruimte, in het midden van dit grasplein, scheen vroeger toegewijd te zijn geweest aan de godsdienstplechtigheden der Druïden; want op den top van een heuvel, die zoo regelmatig van vorm was, dat hij door kunst opgericht scheen, stond nog een gedeelte van een kring van ruwe, onbewerkte, ontzaglijk groote steenen. Zeven er van waren overeind; de overigen, van hunne plaatsen verwijderd, waarschijnlijk door den ijver van eenige nieuw bekeerde Christenen, lagen gedeeltelijk omvergeworpen in het rond, en gedeeltelijk op de helling van den heuvel. Slechts één groote steen had zijn weg tot den voet er van gevonden, en, door den loop van een kleine beek te stremmen, welke langzaam in de diepte rondom de hoogte kronkelde, verwekte hij een zacht gemurmel in het vreedzame en anders stille water.
Twee gedaanten verlevendigden dit landschap; zij hadden in hunne kleeding en in hun uiterlijk dat wilde en ruwe voorkomen, hetwelk in die vroege tijden eigen was aan de boschbewoners van het westelijk gedeelte van het graafschap York. De oudste dier mannen had een stroef, woest en norsch gelaat. Zijn kleeding was zoo eenvoudig mogelijk; zij bestond uit een nauw wambuis met mouwen, gemaakt uit de gelooide huid van een dier, waarop men het haar gelaten had, dat echter op zoo vele plaatsen was afgesleten, dat het moeielijk zou geweest zijn uit het weinige overgeblevene te onderscheiden, aan welk soort van dier het behoord had. Dit eenvoudige kleed reikte van de keel tot op de knieën, en was de eenige dekking van het geheele lichaam; er was aan den kraag geen ruimere opening dan noodig was om het hoofd door te steken, waaruit men besluiten kan, dat het aangetrokken werd door het over het hoofd en de schouders te halen, op de wijze van een hedendaagsch hemd, of een oude maliënkolder. Sandalen, met riemen van wildzwijnsleer vastgebonden, beschermden de voeten, en een soort van rol van dun leder was kunstig om de beenen geslingerd tot boven de kuit, de knieën bloot latende, gelijk die van een Schotschen bergbewoner. Om het wambuis nog nauwer om het lichaam te doen sluiten, was het om het middel door een breeden lederen gordel vastgebonden, met een metalen gesp bevestigd; aan de eene zijde daarvan hing een soort van zak, en aan de andere een ramshoren, met een mondstuk voorzien, om op te blazen. In denzelfden gordel hing een van die lange, breede, scherp gepunte en tweesnijdende messen, met een hoornen hecht, die in de nabuurschap gemaakt werden, en die, zelfs in deze vroege tijden, den naam van Sheffieldmessen droegen. Zijn hoofd was ongedekt en alleen beschermd door zijn eigen dik haar, ongekamd en woest, en door de zon donkerrood verbrand, eene tegenstelling opleverende met zijn baard, die de wangen bedekte, en licht geel van kleur was. Er is nog slechts één gedeelte van zijne kleeding over, dat te merkwaardig was om met stilzwijgen voorbij gegaan te worden; het was een metalen ring, op den halsband van een hond gelijkende, maar zonder eenige opening, en om zijn hals vastgeklonken, los genoeg, dat de ademhaling niet belemmerd werd, en toch zoo vast, dat hij niet anders dan met behulp van de vijl kon afgenomen worden. Op dezen zonderlingen halsband was met Saksische letters het volgende opschrift gesneden: "Gurth, de zoon van Beowulf, geboren lijfeigene van Cedric van Rotherwood."
Naast dezen zwijnenhoeder, want dit was het beroep van Gurth, zat op een der omgevallen gedenkteekenen der Druïden een man, die tien jaren jonger scheen, en wiens kleeding, schoon nagenoeg van hetzelfde maaksel als die van zijn makker, uit betere stoffen vervaardigd was, en een zonderlinger voorkomen had. Zijn buis was purperkleurig, en men had beproefd om wonderbaarlijke sieraden in verschillende kleuren er op te schilderen. Behalve dit buis droeg hij een korten mantel, die hem nauwelijks tot op de helft van het bovenbeen hing; dit kleedingstuk was van karmozijnrood laken, vrij bemorst, met hooggeel omzet; en daar hij het, naar verkiezing, van den eenen schouder op den anderen, of geheel om zich heenslaan kon, zoo maakte de wijdte, bij de lengte vergeleken, dat het er wonderlijk uitzag. Hij had dunne zilveren armbanden, en een halsband van hetzelfde metaal, met het opschrift: "Wamba, de zoon van Weetniet, lijfeigene van Cedric van Rotherwood." Deze man droeg dezelfde soort van sandalen als zijn makker; maar, in plaats van met lederen riemen, waren zijn beenen bedekt met een soort van slobkousen, waarvan de eene rood en de andere geel was. Hij was ook voorzien van een kap, met schelletjes behangen, omtrent zoo groot als die, welke men de valken aandoet; ze klonken zoo dikwijls hij liet hoofd draaide, en daar hij zelden één minuut in dezelfde houding bleef, was het geluid bijna onophoudelijk. Rondom de kap was een stijve lederen band, van boven uitgesneden in den vorm eener kroon, terwijl er een lange puntige zak uit verrees, en op den schouder nederviel, gelijk een ouderwetsche slaapmuts, of de hoofdbedekking onzer huzaren. Aan dit gedeelte der kap waren de belletjes bevestigd, die bij den aard van zijn hoofdsieraad, en de half domme, half schrandere uitdrukking van zijn gelaat, genoegzaam aanduidden, dat hij tot die narren of potsenmakers behoorde, welke in de woningen der rijken gehouden werden, om de verveling van de langdurige uren te verkorten, welke men verplicht was binnenshuis door te brengen. Hij droeg, evenals zijn makker, een zak, aan den gordel vastgemaakt, maar hij had noch horen noch mes, daar men hem waarschijnlijk beschouwde als behoorende tot een klasse, aan welke het gevaarlijk is, scherpe werktuigen toe te vertrouwen. Inplaats daarvan was hij met een houten zwaard voorzien, op het wapen gelijkende, waarmede Harlekijn zijn wonderen op het hedendaagsche tooneel verricht.
Het uiterlijk voorkomen van deze twee mannen vormde nauwelijks een sterker contrast dan hun gelaat en gedrag. Dat van den lijfeigene was treurig en stug; zijn blikken waren naar den grond geslagen, met een uitdrukking van groote moedeloosheid, welke men bijna voor wezenloosheid zou gehouden hebben, had niet het vuur, hetwelk van tot tijd tot tijd in zijn beloopen oog schitterde, getoond, dat er onder den schijn van sombere neerslachtigheid het besef schuilde van zijn slaafschen stand en het verlangen, om zich daaraan te onttrekken. De blikken van Wamba daarentegen duidden, zooals gewoonlijk bij menschen van zijn aard, een soort van ledige nieuwsgierigheid en eene rustelooze beweeglijkheid aan, te gelijk met de uiterste zelfvoldoening over zijn stand en uiterlijk. Hun gesprek werd in het Angelsaksisch gevoerd, hetwelk, zooals wij gezegd hebben, algemeen door de geringere klassen gesproken werd, met uitzondering van de Normandische soldaten en de afhangelingen, welke de groote leenheeren onmiddellijk omringden. Maar, daar hun gesprek in het oorspronkelijke den lezer niet zeer verstaanbaar zou zijn, geven wij hem daarvan de volgende vertaling:
"Dat de vloek van St. Withold die helsche zwijnen treffe!" bromde de zwijnenhoeder, nadat hij uit al zijn macht op zijn horen geblazen had, om de verstrooide kudde te verzamelen, welke, ofschoon ze zijn geroep met even welluidende tonen beantwoordde, zich echter in het geheel niet haastte om zich van het heerlijkste gastmaal van beuken en eikels, waarvan ze vet werd, te verwijderen, of om de moerassige oevers van de beek te verlaten, waar eenigen, half in modder gedompeld, op hun gemak uitgestrekt lagen, zonder zich in het minste om de stem van den herder te bekreunen. "De vloek van St. Withold treffe hen en mij!" zeide Gurth; "zoo de tweebeenige wolf er vóór het vallen van den nacht niet eenigen van wegpakt, dan heet ik geen Gurth! Hier, Fangs! Fangs!" riep hij met alle geweld een ruigharigen wolfachtigen hond toe, een soort van kreupele basterd, half bul- half windhond, die rondliep alsof hij zijn meester bijstaan wilde, om de weêrspannige varkens bijeen te verzamelen; maar welke inderdaad, hetzij dat hij de teekens van den zwijnenhoeder verkeerdelijk begreep, hetzij uit onkunde, of uit moedwillige boosaardigheid, ze slechts van den éénen kant naar den anderen dreef, en het kwaad verergerde, dat hij had moeten verhelpen. "Dat de duivel u de tanden uitrukke," riep Gurth, "en dat de booze den boschwachter hale, die onzen honden de voorste klauwen afsnijdt, en ze voor hun werk ongeschikt maakt [1]. Wamba! sta op en help me, als gij een brave kerel zijt, loop om den berg heen, om hun den wind af te winnen, en als gij dat gedaan hebt, kunt ge ze even gemakkelijk voor u uitdrijven als onschuldige lammeren."
"Waarachtig," zei Wamba, zonder van de plaats te gaan, "ik heb mijn beenen geraadpleegd, en ze zijn volkomen van gevoelen, dat het een daad van hoogverraad, zoowel tegen mijn hoogen persoon als tegen mijn koninklijke kleeding zou zijn, mijn bont pak door deze moerassen te sleepen; daarom, Gurth, raad ik je, Fangs terug te roepen, en de kudde aan het noodlot over te laten, want, als ze een troep rondtrekkende soldaten, vrijbuiters of pelgrims ontmoet, kan het niet missen of ze is vóór den morgen in Normandiërs veranderd, tot uw groot gemak en verlichting."
"De zwijnen in Normandiërs veranderd, tot mijne verlichting!" hervatte Gurth; "verklaar me dat, Wamba, want mijn brein is te suf en mijn geest te geplaagd, om raadsels op te lossen."
"Wel, hoe noemt ge die knorrende beesten, die dáár op vier pooten rondloopen?" vroeg Wamba.
"Zwijnen, nar, zwijnen," antwoordde de hoeder: "ieder gek weet dat."
"En zwijn is goed Saksisch," zei de nar; "maar hoe noemen de groote lui het zwijn als het geslacht, gevild, afgehouwen en aan de pooten opgehangen is, evenals een landsverrader?"
"_Porc!_ hernam de zwijnenhoeder.
"Ik ben blij, dat ieder gek dat ook weet," zei Wamba, "en _porc_, denk ik, is goed Normandisch-Fransch. Zoolang het beest leeft, en door een Saksischen lijfeigene gehoed wordt, heeft het een Saksischen naam; maar liet wordt een Normandiër en _porc_ genoemd, zoodra het in het kasteel gebracht wordt, om den edelen tot een maaltijd te dienen. Hoe vindt ge dat, vriend Gurth?"
"Het is maar al te waar, vriend Wamba," hernam Gurth, "hoewel het in uw zotshoofd is opgekomen."
"Wel, ik kan je nog meer zeggen," vervolgde Wamba op denzelfden toon; "daar is de oude, deftige Stier, die houdt zijn Saksischen naam, zoolang hij onder de zorg van lijfeigenen staat, maar hij wordt een _Boeuf_, een volbloed Fransch heer, als hij voor de hoogaanzienlijke kinnebakken komt, die hem moeten verteren. Mijnheer Kalf wordt op deze wijze _Monsieur le Veau_; hij is een Sakser, als hij oppassing noodig heeft, en wordt een Normandiër, zoodra hij een voorwerp van genot wordt."
"Bij St. Dunstan," antwoordde Gurth, "ge spreekt droevige waarheid; er is ons weinig meer overgelaten dan de lucht, die wij inademen, en deze zelfs schijnt men ons nauwelijks te gunnen, en alleen om ons in staat te stellen den arbeid, welken zij ons opleggen, te verrichten. Het schoonste en vetste is voor hunne tafel; de beminnelijkste wordt hunne bruid; de besten en braafsten moeten strijden voor vreemde meesters, en hun gebeente verbleekt in verafgelegen landen, terwijl slechts weinigen te huis overblijven, die den wil of de macht hebben den ongelukkigen Sakser te beschermen. God zegene onzen heer Cedric; hij heeft gehandeld als iemand, die zijn man staan durft; maar Reginald Front-de-Boeuf komt zelf in deze streken, en wij zullen weldra zien, hoe weinig Cedric's moeite baten zal.--Hier, hier!" riep hij weder, de stem verheffende; "pak aan! pak aan! goed zoo! goed zoo! Fangs! je hebt ze nu allen voor je; drijf ze maar voort, jongen!"
"Gurth," zei de nar, "ik geloof, dat gij mij voor een gek houdt, anders zoudt gij niet zoo vermetel het hoofd in mijn mond steken. Één wenk aan Reginald Front-de-Boeuf, of Filips de Malvoisin, dat ge kwaad van de Normandiërs gesproken hebt, en ge zijt een verloren zwijnenhoeder,--zij hangen u op aan den eersten besten boom, als een schrikbeeld voor alle lasteraars van groote heeren."
"Hond, dat ge zijt, ge zoudt mij toch niet willen verraden," hernam Gurth, "na mij verleid te hebben, zulke onvoorzichtige dingen te zeggen?"
"Je verraden!" antwoordde de nar; "neen, dat ware een wijze streek; een gek weet zich niet half zoo goed te redden;--maar stil, wie komt daar?" zeide hij, naar een getrappel als van verscheidene paarden luisterende, hetwelk hoorbaar begon te worden.
"Wat is er ons aan gelegen?" hervatte Gurth, die nu zijn kudde vóór zich gekregen had, en ze met behulp van Fangs langs een van die lange donkere lanen dreef, welke wij reeds getracht hebben te beschrijven.
"Maar ik moet de ruiters zien," antwoordde Wamba; "misschien komen zij uit het land der Feeën, met een boodschap van koning Oberon."
"Verwenschte nar!" riep de zwijnenhoeder uit, "hoe durft gij van dergelijke dingen spreken, terwijl een verschrikkelijk onweder in de nabijheid woedt? Hoor, hoe de donder rommelt! En nooit zag ik in den zomer den regen in zulke dikke, zware druppelen uit de wolken vallen. De eiken kraken ook, niettegenstaande de windstilte, met hun groote takken, alsof zij een storm verkondigden. Ge kunt wel verstandig zijn, zoo ge maar wilt; geloof mij nu, en laten we ons naar huis spoeden, voordat de storm begint te woeden, want het zal een verschrikkelijke nacht worden!"
Wamba scheen de kracht van deze redeneering te beseffen, en volgde zijn makker, die zijn tocht begon na een grooten stok opgenomen te hebben, die op het gras naast hem lag. Deze tweede Eumaeus [2] haastte zich nu door de laan te komen, met behulp van Fangs, de geheele luidruchtige kudde vóór zich heen drijvende.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Toen kwam er een monnik, een heer zeer geprezen, Een vriend van de jacht en van 't horengeschal, Zoo kloek en ervaren, een abt kon hij wezen; Ook hield hij veel kostbare paarden op stal; En gaf hij zijn moedigen klepper de sporen, Men kon op de winden het zweepgeklap hooren, Zoo duidelijk en klaar als de klok der kapel, Waarbij hij vertoefde in zijn eenzame cel.
Chaucer.
In weerwil van het herhaalde vermanen en knorren van zijn makker, kon Wamba, die de ruiters hoorde naderen, niet nalaten bij ieder geschikt voorwendsel onderweg stil te staan; nu eens plukte hij van een hazelnotenstruik eenige der halfrijpe vruchten, dan keerde hij zich om, ten einde het een of ander boerenmeisje, dat hen tegenkwam, na te zien. De ruiters haalden hen derhalve spoedig in. Zij waren tien in getal van welken de beide voorsten mannen van aanzien, en de anderen hun volgelingen schenen te zijn. Het was niet moeielijk het karakter en den stand van één dezer mannen te onderscheiden. Hij was klaarblijkelijk een geestelijke van hoogen rang; zijne kleeding was die van een Cisterciënser monnik, maar uit veel fijner stof gemaakt, dan die, welke zijne orde gebruiken mocht. Mantel en kap waren van het beste Vlaamsche laken, en vielen in ruime en bevallige plooien rondom een schoone, hoewel eenigszins zwaarlijvige, gestalte. Zijn gelaat droeg evenmin den stempel van zelfverloochening, als zijn kleed minachting aanduidde van wereldsche pracht. Zijn trekken hadden mooi kunnen genoemd worden, had niet, onder zijne neerhangende oogleden, die gedempte, zinnelijke gloed geschitterd, welke den voorzichtigen wellusteling doet kennen. In andere opzichten hadden ambt en stand hem eene gemakkelijke heerschappij over zijn gelaat geleerd, hetwelk hij naar welgevallen een plechtigen ernst kon doen aannemen, ofschoon zijne natuurlijke uitdrukking goedaardig, gezellig en toegevend was. Ten spijt van kloosterregels, en de bevelen van pausen en kerkvergaderingen, waren de mouwen van dezen prelaat gevoerd en omzet met rijk bont; zijn mantel was om den hals met een gouden gespje vastgemaakt, en de geheele kleeding, eigen aan zijne orde, evenzeer verfraaid en opgesierd, als die eener schoone kwakersvrouw van onze dagen, die de gewone kleederdracht van hare sekte behoudende, aan de eenvoudigheid daarvan, door de keus der stoffen en door de wijze van ze te schikken, een zekeren schijn van aanlokkelijke coquetterie geeft, welke maar al te veel van wereldsche ijdelheid getuigt.
Deze waardige dienaar der kerk reed op een makken, welgemesten muilezel, welks tuig zeer prachtig, en welks toom, volgens de gewoonte van dien tijd, met zilveren schelletjes versierd was. Hierop zat hij geenszins met de linkschheid van den kloosterbroeder, maar met al de gemakkelijke losheid van een geoefenden ruiter. Het scheen, inderdaad, dat een zoo nederig dier als een muilezel, hoe mooi ook en hoe goed gewend aan een aangenamen en gemakkelijken gang, door den dapperen monnik alleen op reis gebruikt werd; want een leekebroeder, die onder zijn gevolg was, leidde tot zijn gebruik bij andere gelegenheden een van de schoonste Andalusische hengsten, welke de kooplieden in dien tijd met groote moeite en veel gevaar, ten behoeve der rijken en aanzienlijken, overbrachten. De zadel en het tuig van dit prachtige rijpaard waren bedekt met een lange deken, die bijna op den grond hing, en waarop mijters, kruisen en andere kerkelijke sieraden prachtig geborduurd waren. Een ander leekebroeder leidde een tweeden gewonen muilezel, waarschijnlijk met het goed van zijn meester beladen; en daarachter reden twee monniken van dezelfde orde, maar van minderen rang, te zamen schertsende en pratende, zonder zich veel aan de andere leden van het reisgezelschap te storen.
De reismakker van den prelaat was een man van over de veertig jaren, rank, mager, maar sterk, groot en gespierd; eene athletische gedaante, aan welke lange vermoeienissen en aanhoudende oefeningen geene van de tengere deelen van het menschelijke lichaam overgelaten, maar het geheel in vel, beenderen en spieren herschapen hadden, die duizenden moeilijkheden reeds doorstaan hadden, en in staat waren er nog duizenden anderen te ondergaan. Zijn hoofd was bedekt met een fluweelen muts, met bont omzet, van het fatsoen door de Franschen _mortier_ genoemd, wegens de overeenkomst met den vorm van een omgekeerden vijzel. Zijn gelaat was dus geheel zichtbaar, en de uitdrukking er van wel berekend om een zeker ontzag, zoo niet vrees, aan vreemden in te boezemen. Zijn van natuur sterk geteekende gelaatstrekken waren bijna zwart gebrand als die van een neger, door gedurig aan de hitte van een brandende zon blootgesteld te zijn, en schenen gewoonlijk te sluimeren, als het ware, nadat de storm der driften uitgewoed had; maar de opgezwollen aderen op het voorhoofd, de snelheid waarmede de bovenlip en de dikke zwarte knevels bij de geringste aandoening trilden, gaven duidelijk te kennen, dat het onweder gemakkelijk weder opgewekt kon worden. Zijne stoute, doordringende, donkere oogen verrieden bij iederen blik de geschiedenis van overwonnen moeielijkheden en getrotseerde gevaren, en schenen tegenstand aan zijn wenschen uit te lokken, om zich het genot te verschaffen dien door geoefenden moed en vasten wil uit den weg te ruimen. Een diep litteeken, boven de wenkbrauw, vergrootte nog de strengheid van zijn gelaat, en verleende een dreigende uitdrukking aan een zijner oogen, hetwelk bij dezelfde gelegenheid licht gekwetst werd, en waarmede hij nu, schoon goed, toch een weinig scheel zag.
Het bovenkleed van dezen ruiter was, wat de snede betreft, gelijk aan dat van zijn reisgezel: een lange kloostermantel; maar de scharlaken kleur toonde, dat hij niet tot een der vier gewone monnikenorden behoorde. Op den rechter schouder van den mantel was een kruis van bijzonderen vorm met wit laken geborduurd. Dit opperkleed bedekte iets, dat op het eerste gezicht niet daarmede in overeenstemming scheen, namelijk een maliënkolder met mouwen en handschoenen van denzelfden aard, zeer kunstig bewerkt en gevlochten, en even zoo buigzaam aan het lichaam als die, welke op den weefstoel uit zachtere stoffen gemaakt worden. Het bovenste gedeelte zijner dijen, zoo ver de plooien van zijn mantel ze bloot lieten, was ook daarmede bedekt; de knieën en voeten waren beschermd door dunne stalen plaatjes, netjes in elkander gevoegd; en dergelijke schenen, welke van den enkel tot de knie reikten, beschermden voortreffelijk de beenen, en voltooiden des ruiters wapenrusting. In den gordel droeg hij een langen, tweesnijdenden dolk, welke zijn eenig wapen was.
Hij reed niet op een muilezel, gelijk zijn reisgenoot, maar op een sterk reispaard, om zijn schoon strijdros te sparen, dat een schildknaap leidde, geheel voor den slag toegerust, met een beschermend metalen hoofdstel, waarvan een korte stalen punt vooruit stak. Aan de eene zijde van den zadel hing een korte strijdbijl, rijk gedamasceerd; aan de andere des ruiters gepluimde helm en stormkap met een lang slagzwaard, zooals de ridders toen algemeen gebruikten. Een tweede schildknaap droeg zijns meesters lans, aan welker punt een vlagje fladderde, waarop een kruis van denzelfden vorm als dat op zijn mantel geborduurd was. Hij droeg ook zijn klein driehoekig schild, breed genoeg van boven om de borst te beschermen, en van daar spits toeloopende. Het was met een scharlaken kleed bedekt, dat verhinderde de daarop staande spreuk te lezen.
Deze twee schildknapen werden gevolgd door twee bedienden, wier bruine gezichten, witte tulbanden en Oostersche kleeding toonden, dat zij inboorlingen waren van eenig ver afgelegen Oostersch land [3]. Het geheele voorkomen van dezen krijgsman en zijn gevolg was woest en vreemd, de kleeding van zijne schildknapen was buitengewoon prachtig, en zijne Oostersche bedienden droegen zilveren halsbanden, en ringen van hetzelfde metaal om hunne zwartbruine armen en beenen; de eerste waren naakt van den elleboog af, en de laatste van de kuit tot aan den enkel. Hunne kleederen waren van geborduurde zijde en gaven den rijkdom en het aanzien van hun meester te kennen; te gelijk leverden zij een treffend contrast met den krijgshaftigen eenvoud van zijne eigene kleeding op. Zij waren gewapend met kromme sabels, wier gevest en scheede met goud ingelegd waren, terwijl Turksche dolken van een prachtiger maaksel daarnaast hingen. Ieder van hen had vóór zich op den zadel een bundel pijlen, of werpspiesen, omtrent vier voet lang, met scherpe stalen punten, een wapen dat zeer gebruikelijk was bij de Saracenen en dat nog herdacht wordt in de krijgsoefening "_El Djerid_" genoemd, die nog in eenige Oostersche landen in zwang is.
De paarden van deze bedienden waren in voorkomen even vreemd als hunne ruiters; ze waren van Saraceenschen oorsprong, en dus van Arabisch ras, en hunne fijne, tengere leden, dunne manen en lichte, vrije bewegingen waren in sterke tegenstelling met de groote, zware paarden, die in Vlaanderen en Normandië gefokt werden, om de van top tot teen zwaar gewapende krijgslieden te dragen, en welke, naast deze Oostersche paarden, als lichaam en schaduw bij elkander stonden.
Het zonderlinge voorkomen van deze ruiters verwekte niet alleen de nieuwsgierigheid van Wamba, maar zelfs die van zijn minder levendigen metgezel. Den monnik herkende hij terstond voor den Prior van de Abdij van Jorvaulx, overal in het rond welbekend als een liefhebber van de jacht, van goede sier, en, zoo de faam hem geen onrecht deed, van andere wereldsche vermaken, die nog minder bestaanbaar waren met zijne kloostergeloften.
Zoo los waren evenwel de begrippen in die tijden, ten opzichte van het gedrag der wereldlijke zoowel als der klooster-geestelijkheid, dat de Prior Aymer een goeden naam had in de nabuurschap zijner abdij. Zijn open en vroolijk karakter, en de gereedheid, met welke hij den aflaat voor alle kleinere zonden schonk, maakte hem tot een gunsteling bij den adel en de overige aanzienlijken, met velen van welke hij vermaagschapt was, daar hij van een aanzienlijk Normandisch geslacht afstamde. De vrouwen, in het bijzonder, waren niet geneigd al te nauwgezet het gedrag van een man na te gaan, die een verklaarde bewonderaar van haar geslacht was, en die vele middelen bezat om de verveling te verdrijven, welke zoo gemakkelijk in de zalen en priëelen van een oud ridderkasteel insloop. De Prior gaf zich over aan het jachtvermaak met meer dan gewonen ijver, en men erkende algemeen, dat hij de best afgerichte valken en de snelste windhonden van het _North-Riding_ bezat; een omstandigheid, die hem tot een groote aanbeveling bij den jongen adel strekte. Bij oudere menschen had hij eene andere rol te spelen, welke hij in geval van nood met groote deftigheid te vervullen wist. Zijn kennis van boeken, hoe oppervlakkig ook, was voldoende om hunne onwetendheid achting voor zijne gewaande geleerdheid in te boezemen; en de ernst van zijne houding en taal, met den hoogen toon, waarop hij van het gezag der kerk en harer priesters sprak, gaf hun geen mindere overtuiging van zijne heiligheid. Zelfs de geringere klassen, de strengste vitters van het gedrag hunner meerderen, waren toegevend voor de zwakheden van Prior Aymer. Hij was mild van aard; en de liefdadigheid, zoo als men weet, bedekt eene menigte van zonden, ook in een anderen zin dan dien, in welken de Heilige Schrift dit verkondigt. De inkomsten van het klooster, waarvan een groot gedeelte te zijner beschikking stond, terwijl zij hem middelen verschaften voor zijn eigene, zeer aanmerkelijke uitgaven, vergunden hem tevens geschenken onder de boeren uit te deelen, waarmede hij dikwijls de behoeften der onderdrukten te hulp kwam. Zoo Prior Aymer al te grooten ijver voor de jacht toonde, en te lang aan tafel zat,--zoo men Prior Aymer met het krieken van den dag de achterdeur van de abdij zag inkomen, naar huis sluipende van de eene of andere bijeenkomst, welke in de uren der duisternis had plaats gehad, dan haalde men slechts de schouders op, en verzoende zich met zijn ongeregeld gedrag door de overweging, dat vele zijner makkers hetzelfde deden, en volstrekt geene goede hoedanigheden bezaten, om daartegen op te wegen. Prior Aymer en zijn karakter waren dus aan onze twee lijfeigenen wel bekend, die hem met linkschen eerbied groetten en daarentegen met zijn "_Benedecite, mes fils_," vereerd werden.
Maar het zonderlinge voorkomen van zijn reisgenoot en diens bedienden trok hunne aandacht, en verwekte hunne verwondering zoo, dat ze nauwelijks de vraag van den Prior van Jorvaulx hoorden: "of ze eenige herberg in de nabuurschap kenden;" zoo zeer waren zij verrast door het half kloosterlijk en half krijgshaftig uiterlijk van den zwartverbranden vreemdeling, en door de zonderlinge kleeding en wapenen van zijn Oostersche bedienden. Het is ook waarschijnlijk, dat de taal, in welke de zegen uitgedeeld en de vraag gedaan werd, onaangenaam, schoon vermoedelijk niet onverstaanbaar, in de ooren der Saksische boeren klonk.
"Ik vroeg u, mijne kinderen," zei de Prior, zijn stem verheffende, en de _lingua Franca_, of gemengde taal, gebruikende, in welke de Normandiërs en Saksers met elkander spraken, "of er hier in de nabijheid eenig goed mensch woont, die voor Godsloon, en uit eerbied voor de heilige moederkerk, twee van haar nederigste dienaren met hun gevolg, voor een enkelen nacht zou willen opnemen en verkwikken?" Dit zeide hij op een toon van gewicht, die slecht overeenkwam met de nederige woorden, welke hij goedvond te gebruiken.
"Twee der nederigste dienaren der heilige moederkerk!" herhaalde Wamba bij zichzelven,--maar hoewel een nar, droeg hij zorg, zijn aanmerking niet te doen hooren,--"dan zou ik wel eens willen zien hoe hare kasteleinen, keldermeesters en voornaamste dienaren er uitzien!" Na deze stille aanmerking op des Priors gezegde, sloeg hij de oogen op en antwoordde op de gedane vraag: "Zoo de eerwaarde vaders een goed onthaal en een zacht bed begeeren, kunnen ze, in een paar uren, naar de abdij van Brinxworth komen, waar hun rang hun de eervolste ontvangst verzekert; of zoo ze liever den avond in boetedoeningen willen doorbrengen, kunnen ze gindsche woeste laan afrijden, welke naar de kluis van Copmanhurst leidt, waar een vroom kluizenaar zeker gaarne zijn hut en zijn gebeden met hen zal deelen."
"Goede vriend," zeide de Prior, het hoofd over beide voorstellen schuddende, "zoo het eindeloos geluid uwer schelletjes uw verstand niet verward had, zoudt gij wel weten, dat _Clericus clericum non decimat_, dat wil zeggen: wij geestelijken verlangen geene gastvrijheid van onze gelijken, maar zoeken liever die der leeken op, om hun dus de gelegenheid te geven God te vereeren door zijn uitverkoren dienaren te helpen en te ondersteunen."
"'t Is waar," hervatte Wamba, "dat, ofschoon ik maar een ezel ben, ik de eer geniet schellen te dragen, even goed als uw muilezel, eerwaarde heer; ik dacht echter, dat de liefdadigheid van de moederkerk en hare dienaren bij zich zelve moest beginnen, evenals andere liefdadigheid."
"Zwijg met uwe onbeschaamdheid, kerel!" viel de gewapende ruiter in, Wamba's gesnap op een trotschen en gebiedenden toon afbrekende, "en zeg ons, of gij den weg weet naar--hoe noemt ge uw _Franklin_, Prior Aymer?"
"Cedric," hernam deze; "Cedric den Sakser.--Zeg mij, vriend, zijn we dicht bij zijn woning, en kunt ge ons den weg wijzen?"
"De weg zal moeielijk te vinden zijn," antwoordde Gurth, die nu voor het eerst sprak, "en Cedric's huisgezin begeeft zich vroeg ter ruste."
"Bah! spreek mij daar niet van!" zei de krijgsman; "ze kunnen gemakkelijk weer opstaan om in de behoeften te voorzien van reizigers als wij, die ons niet zullen vernederen om de gastvrijheid af te smeeken, die wij het recht hebben te vorderen."
"Ik weet niet," hernam Gurth op een knorrigen toon, "of ik den weg naar het huis van mijn meester wijzen moet aan lieden, die de gastvrijheid, welke de meesten gaarne als een gunst aannemen, als een recht vorderen."
"Durft gij mij tegenspreken, slaaf!" riep de krijgsman; en zijn paard de sporen gevende, liet hij het een sprong over den weg maken, terwijl hij de zweep ophief om de onbeschaamdheid van den boer te kastijden.
Gurth wierp hem een woesten en wraakgierigen blik toe, en sloeg met een woedende, schoon aarzelende, beweging de hand aan het hecht van zijn mes; maar Prior Aymer, die zijn muilezel tusschen zijn reisgenoot en den zwijnenhoeder dreef, belette de voorgenomen gewelddadigheid.
"Neen, bij de heilige Maria, broeder Brian! ge moet niet denken, dat ge thans in Palestina zijt, heerschende over heidensche Turken en ongeloovige Saraceenen; wij, eilanders, houden niet van slagen, behalve van die der heilige moederkerk, welke de kinderen kastijdt, die ze lief heeft. Wijs mij, goede vriend," zeide hij tot Wamba, zijn verzoek door een kleine zilveren munt ondersteunende, "den weg naar de woning van Cedric den Sakser; gij kent hem voorzeker, en het is uw plicht den reiziger terecht te helpen, zelfs al ware zijn stand minder heilig dan de onze."
"Waarlijk, eerwaarde vader!" antwoordde de nar, "het Saraceensche hoofd van uwen zeer eerbiedwaardigen reisgezel heeft mij van schrik den weg naar huis doen vergeten.--Ik ben er niet eens zeker van, of ik er heden avond zelf wel komen zal."
"Kom, kom," zei de Abt, "gij kunt het ons wijzen, als gij maar wilt. Deze eerwaarde broeder is zijn geheele leven bezig geweest met tegen de Saraceenen ter verlossing van het Heilige Graf te vechten; hij is van de orde der Tempelridders, van welke gij misschien wel zult gehoord hebben; hij is half monnik en half soldaat."
"Als hij maar half monnik is," zei de nar, "moest hij niet geheel en al onredelijk zijn tegenover degenen, welke hij op weg ontmoet, al haasten zij zich ook niet om vragen te beantwoorden, die hen in het geheel niet raken."
"Ik vergeef u uwe geestigheid," hervatte de Abt, "op voorwaarde, dat gij mij den weg naar Cedric's huis toont."
"Nu dan," antwoordde Wamba, "de eerwaarde heeren moeten dit pad houden, tot ze aan het vervallen kruis komen, dat nauwelijks ter lengte van een el boven den grond uitsteekt; draait dan links om, want daar kruisen zich vier paden, en ik hoop, dat ge een schuilplaats zult vinden, eer de storm opkomt."
De Abt bedankte zijn wijzen raadgever; en de ruiters, hun paarden de sporen gevende, ijlden voort als menschen, die verlangen de herberg te bereiken, voor het uitbarsten van een nachtelijk onweder. Toen het paardengetrappel verstomde, zeide Gurth tot zijn makker: "als de eerwaarde vaders den weg volgen, dien gij hun zoo wijselijk aangewezen hebt, zullen ze heden avond moeielijk Rotherwood bereiken."
"Neen," zei de nar grijnzende, "maar ze kunnen, als het goed gaat, Sheffield bereiken, en dat is een even geschikte plaats voor hen. Ik ben zulk een slecht jager niet, dat ik den hond zou wijzen, waar het wild ligt, als ik niet wil, dat hij er jacht op maakt."
"Ge hebt gelijk," zeide Gurth; "het zou verkeerd zijn, als Aymer jonkvrouw Rowena zag; en het ware mogelijk nog erger, als Cedric, gelijk zeer waarschijnlijk is, met dezen krijgshaftigen monnik in twist geraakte. Maar laten wij, als trouwe dienaren, hooren, zien en zwijgen."
Wij keeren tot de ruiters terug, die weldra de lijfeigenen verre achter zich gelaten hadden, en het volgende gesprek hielden in de Normandisch-Fransche taal, waarvan zich de hoogere standen algemeen bedienden, met uitzondering van die weinigen, welke nog op hunne Saksische afkomst roem droegen.
"Wat verbeelden zich toch die kerels met hunne halsstarrige onbeschaamdheid," zei de Tempelier tot den Cisterciënser, "en waarom weerhieldt ge mij, toen ik ze kastijden wilde?"
"Waarlijk, broeder Brian," hernam de Prior, "wat den één aangaat, kan ik moeielijk de reden opgeven, waarom een nar niet als een gek zou praten; en de andere boer is van dat woeste, ruwe, ongetemde geslacht, waarvan men nog velen vindt, zooals ik u dikwerf gezegd heb, onder de afstammelingen der overwonnen Saksers, en die er het grootste behagen in scheppen, op alle mogelijke wijze hun afkeer van de overwinnaars te toonen."
"Ik zou hun de beleefdheid wel schielijk met slagen geleerd hebben," merkte Brian aan; "ik ben gewoon met zulk volk om te gaan: onze Turksche gevangenen zijn trotsch en onbuigzaam als Odin zelf; maar een verblijf van twee maanden in mijn huis, onder de tucht van mijn opziener, maakt hen nederig, ootmoedig, gedienstig en gehoorzaam. Maar, Heer Prior, men moet zich voor vergif en dolk bij hen wachten, want als men hun er de minste gelegenheid toe geeft gebruiken zij beiden zonder omslag."
"Goed," hernam Prior Aymer, "ieder land heeft zijn gewoonten en zeden; en behalve dat wij, door dezen kerel te slaan, den weg naar Cedric's woning niet zouden vernomen hebben, zou het zeker een twist tusschen u en hem veroorzaakt hebben, zoodra wij bij hem aankwamen. Herinner u, wat ik u gezegd heb: deze rijke _Franklin_ is trotsch, stout, achterdochtig en oploopend, een tegenstander van den adel, en zelfs van zijn buren, Reginald Front-de-Boeuf en Philip de Malvoisin, die toch waarlijk geen kinderen zijn, om het er tegen op te nemen. Hij verdedigt de voorrechten van zijn stam zoo stoutmoedig, en is zoo trotsch op zijne lijnrechte afkomst van Hereward, een beroemd voorvechter der _Heptarchie_, dat hij algemeen Cedric _de Sakser_ genoemd wordt; en hij stelt er roem in tot dit volk te behooren, terwijl vele anderen trachten hunne afkomst te verbergen, uit vrees van het _vae victis_, dat is, van het lot der overwonnenen, te moeten ondergaan."
"Prior Aymer," zei de Tempelier, "gij zijt een man van de wereld, een kenner van echte schoonheid, en even ervaren als een minnezanger in alle zaken de liefde betreffende; maar ik moet al eene buitengewone schoonheid in die beroemde Rowena verwachten, om op te wegen tegen de zelfverloochening en het geduld, die ik noodig heb, om zulk een oproerigen boer te vleien, als gij haren vader Cedric beschreven hebt."
"Cedric is haar vader niet," hervatte de Prior; "hij is slechts een verre bloedverwant van haar; zij stamt van hooger bloed af, dan zelfs dat, waarop hij aanspraak maakt. Tot haren voogd heeft hij zich, naar ik meen, zelf aangesteld; maar zijne pupil is hem even dierbaar, als een eigen kind. Over hare schoonheid zult gij weldra oordeelen; en wanneer de blankheid van haar kleur en de gebiedende, maar zachte uitdrukking van een teeder blauw oog de zwartgelokte meisjes van Palestina, ja zelfs de _houris_ uit het paradijs van den ouden Mahomed, niet uit uw geheugen verdrijven, zoo ben ik een ongeloovige en geen echte zoon der Kerk."
"Wordt uwe geroemde schoonheid," zei de Tempelier, "te licht in de schaal bevonden, dan weet gij onze weddenschap!"
"Mijn gouden halsketen tegen tien vaten Chios-wijn!" hernam de Prior; "ze zijn de mijne, even zeker, alsof ze reeds in de gewelven van het klooster lagen, onder bewaring van den ouden keldermeester Dennis."
"En ik zal zelf rechter zijn," zei de Tempelier, "en alleen veroordeeld worden als ik beken, dat ik sedert Pinkster een jaar zulk een mooi meisje niet gezien heb. Zoo luidt onze overeenkomst, niet waar?--Prior, uw halsketen loopt gevaar; ik zal ze over mijn ringkraag dragen bij het tournooi te Ashby-de-la-Zouche."
"Win ze eerlijk," antwoordde de Prior, "en draag ze wanneer ge wilt. Ik zal uw uitspraak vertrouwen, op uw woord als ridder en geestelijke. Maar, broeder! volg mijn raad: gewen u aan wat meer beleefdheid, dan die waaraan gij tot hiertoe bij het heerschen over ongeloovige gevangenen en Oostersche slaven gewoon zijt. Als Cedric de Sakser zich beleedigd voelt,--en hij is zeer licht geraakt;--dan is hij er de man naar, om ons, zonder eerbied voor uwe ridderschap, voor mijn hoog ambt en de heiligheid van beiden, het huis uit te zetten, en ons op het veld bij de leeuweriken te laten slapen, al ware het ook middernacht. Pas ook op, met welke oogen gij Rowena aanziet; hij bewaakt haar met angstige zorg en als hij daaromtrent den minsten argwaan opvat, zijn wij verloren. Men zegt, dat hij zijn eenigen zoon uit zijn huis verbannen heeft, omdat hij met verliefde oogen deze schoone durfde aanzien, die, naar het schijnt, op een afstand mag vereerd, maar niet anders genaderd worden, dan met de gedachten, welke wij bij het altaar der Moeder Gods medebrengen."
"Nu, gij hebt al genoeg gezegd," hernam de Tempelier; "ik zal mij voor één avond inhouden, en mij zoo zachtzinnig als een meisje gedragen, waar wat de vrees betreft, dat hij ons met geweld verjagen zou; voor dergelijke beleediging zullen ik zelf, mijn schildknapen, en Abdalla en Hamet u beschermen. Vrees niet, wij zijn sterk genoeg, om ons met geweld kwartier te verschaffen!"
"Wij moeten het zoo ver niet laten komen," antwoordde de Prior; "maar hier is het vervallen kruis, waarvan de nar gesproken heeft, en de nacht is zoo duister, dat wij nauwelijks zien kunnen, welken weg te volgen. Hij heeft ons, meen ik, gezegd, wij moesten links gaan?"
"Rechts," zeide Brian, "voor zoo ver ik mij herinneren kan."
"Links--zeker links; ik herinner mij, dat hij met zijn houten zwaard daarheen wees."
"Ja! maar hij hield het zwaard in de linker hand, en wees over zijn lichaam heen," hervatte de Tempelier.
Ieder bleef hardnekkig bij zijn meening, gelijk meestal gebeurt in dergelijke gevallen. Men beriep zich op het gevolg; maar de bedienden waren te ver af geweest, om Wamba's aanwijzingen te hooren. Eindelijk bespeurde Brian iets, hetwelk hem eerst in de schemering ontgaan was. "Hier ligt aan den voet van het kruis iemand die slaapt, of dood is.--Hugo, stoot hem aan met uwe lans." Nauwelijks was dit geschied, of de gedaante rees op, in goed Fransch uitroepende: "Wie gij ook zijn moogt, het is onbeleefd mij in mijne overpeinzingen te storen."
"Wij wilden u slechts den weg naar Rotherwood, de woonplaats van Cedric den Sakser vragen," zei de Prior.
"Ik ga er zelf heen," hernam de vreemdeling; "en als ik een paard had, zou ik uw gids zijn; want de weg is wat moeielijk te vinden, schoon mij volkomen bekend."
"Gij zult dank en belooning verdienen," hervatte de Prior, "zoo gij ons veilig bij Cedric brengt." Hierop deed hij een van zijne bedienden zijn eigen ros, dat tot hiertoe gemend werd, bestijgen, en liet het paard waarop deze gereden had, aan den vreemdeling geven, die tot gids dienen wilde.
Hun leidsman sloeg een anderen weg in, dan dien, welken Wamba hun had aangewezen, om hen op het dwaalspoor te brengen. Het pad leidde weldra dieper door het woud, en over menige beek, die door de omringende moerassen dikwerf moeielijk te naderen was; maar de vreemdeling scheen, als door instinkt, den veiligsten grond en de beste plaatsen tot den overtocht te kennen; en, door voorzichtigheid en oplettendheid, bracht hij het reisgezelschap in een breedere laan, dan ze nog gezien hadden; en op een groot, laag, onregelmatig gebouw wijzende, dat aan het einde daarvan stond, zeide hij tot den Prior: "Ginds is Rotherwood, de woning van Cedric den Sakser."
Dit was eene blijde tijding voor Aymer, wiens zenuwen niet van de sterkste waren, en die zooveel angst en onrust op den weg door de gevaarlijke moerassen doorstaan had, dat hij nog niet eens de gelegenheid had gehad, eene enkele vraag aan zijn gids te doen. Zich nu weder verlicht, en dicht bij een schuilplaats ziende, begon zijn nieuwsgierigheid te ontwaken, en hij vroeg den leidsman, wie en wat hij was?
"Een pelgrim, zoo even uit het Heilige Land teruggekeerd!" was het antwoord.
"Ge hadt daar liever moeten blijven, om voor het Heilige Graf te strijden!" zei de Tempelier.
"Zeker, eerwaarde heer ridder," hervatte de pelgrim, wien het voorkomen van den Tempelier geheel niet vreemd scheen; "maar wanneer zij, die door hun eed verplicht zijn, de Heilige Stad te veroveren, zoo ver van het tooneel hunner plichten rondreizen, kunt gij u dan verwonderen, dat een vreedzame landman, zooals ik, een voornemen opgaf, waarvan zij afgezien hebben?"
De Tempelier wilde een toornig antwoord geven, maar de Prior viel hem in de rede, en betuigde opnieuw zijne verbazing, dat hun gids, na eene lange afwezigheid, zoo goed den weg door het woud kende.
"Ik ben in deze streken geboren!" antwoordde hij; en reeds stonden zij voor Cedric's woning;--een laag, onregelmatig gebouw, verscheidene plaatsen, of omheiningen, omvattende, en zich over een groote ruimte uitstrekkende. Schoon de grootte daarvan den rijkdom van den bezitter bewees, verschilde het zeer van de hooge, met torens bezette, kasteelachtige gebouwen, door de Normandische edelen bewoond; welke bouworde toen in geheel Engeland algemeen was geworden. Rotherwood was intusschen niet zonder verdedigingsmiddelen: geen gebouw kon die ook in deze onrustige tijden missen, zonder gevaar te loopen op een schoonen morgen uitgeplunderd en verbrand te worden. Een diepe gracht omringde het geheele huis, en werd door een naburigen stroom met water voorzien. Dubbele palissaden van puntige balken, welke het nabij gelegen woud opleverde, verdedigden den buiten- en binnenkant der gracht. Er was een ingang, ten westen, door de buitenste palissaden, welke door een ophaalbrug met een soortgelijke opening aan den binnenkant in gemeenschap stond. Men had nog daarenboven deze ingangen door vooruitspringende hoeken beschermd, van welke zij, in geval van nood, door boogschutters en slingeraars konden bestreken worden.
Vóór dezen ingang blies de Tempelier luid op zijn horen, want de regen, die lang gedreigd had, begon nu met geweld te vallen.
DERDE HOOFDSTUK.
Toen (droevige hulp), is de Sakser gekomen Van Duitschlands verwijderde kusten en stroomen, Roodwangig, blondharig, blauwoogig en sterk.--
Thomson's "Vrijheid."
In eene zaal, wier hoogte volstrekt niet in evenredigheid was met haar buitengewone lengte en breedte, stond een lange, eikenhouten tafel, uit ruw behouwen planken gemaakt, die nauwelijks eenigszins afgeschaafd waren, gereed voor het avondmaal van Cedric den Sakser. Het dak, bestaande uit balken en dwarshouten, beschermde alleen door een laag planken en stroo dit vertrek voor de buitenlucht. Er was aan iedere zijde van de zaal een groote stookplaats; maar daar de schoorsteenen op zeer lompe wijze gebouwd waren, kwam er ten minste evenveel rook in het vertrek, als er uit. De gedurige damp, hierdoor veroorzaakt, had de dwarshouten en balken van de lage zaal met een zwart vernis van roet overtrokken. Langs de muren van de kamer hingen jacht- en krijgsgereedschappen en aan iederen hoek waren vleugeldeuren, welke toegang tot andere deelen van het uitgestrekte gebouw verleenden.
Het overige van het huis getuigde van de ruwe eenvoudigheid van den Saksentijd, die Cedric ijverig trachtte staande te houden. De vloer bestond uit aarde, met kalk vermengd, vast gestampt, evenals onze hedendaagsche dorschvloeren. Omtrent een vierde van de lengte van het vertrek was de vloer één voet verhoogd, en deze ruimte, welke men _daïs_ noemde, werd alleen door de hoofdleden van het gezin en de aanzienlijke bezoekers betreden.
Voor hen bestemd, was een tafel met een scharlaken kleed bedekt, dwars op dezen _daïs_ geplaatst; van welker midden de langere en lagere tafel uitging, aan welke de bedienden en minderen beneden in de zaal zaten. Het geheel had de gedaante van een T., of van een dier oude eettafels, welke, naar hetzelfde plan gemaakt, nog in de oude Collegiën van Oxford en Cambridge te zien zijn. Zware stoelen en zetels van uitgesneden eikenhout stonden op de hoogte, en boven deze zitplaatsen en de tafel, was een verhemelte van linnenstof uitgespannen, dat diende om de aanzienlijke personen, welke deze eereplaats bekleedden, eenigszins tegen het weder en den regen te beschermen, die op sommige plekken zich een weg baande door het slecht gebouwde dak.
De muren van dit bovenste gedeelte der zaal, zoo ver zich de _daïs_ uitstrekte, waren met tapijten of gordijnen bedekt, en op den vloer lag een kleed; deze waren met proeven van weef- en borduurkunst versierd, in schitterende, of liever bonte kleuren. Boven de lagere rij tafels, was het dak, zooals reeds gezegd is, niet bedekt; de grof bepleisterde muren waren naakt gelaten, en de ruwe aarden vloer was zonder kleed; de tafel was ongedekt, en lompe, zware banken bekleedden de plaats van stoelen.
Aan het midden van de bovenste tafel stonden twee stoelen, hooger dan de anderen, voor den meester en de meesteres van het gezin, welke het voorzitterschap bij de maaltijden bekleedden, en hiervan hun Saksischen eeretitel ontleenden van: "de Brooduitdeelers." Bij ieder van deze stoelen behoorde een voetenbankje, fraai uitgesneden en met ivoor ingelegd, een blijk van onderscheiding, die hun toekwam. Een dezer zitplaatsen was bezet door Cedric den Sakser, die, schoon in rang slechts een _Thane_, of, zooals de Normandiërs hem noemden, een _Franklin_, bij het vertragen van zijn avondeten een driftig ongeduld toonde, hetwelk een Londenschen raadsheer van den ouderen of lateren tijd eer zou aangedaan hebben. Men kon inderdaad uit de gelaatstrekken van den huisheer opmaken, dat hij van oprechten maar driftigen en opvliegenden aard was. Hij was niet boven de middelmatige grootte, maar hij had breede schouders, lange armen, en was sterk gebouwd, als een man, gewoon aan de vermoeienissen van den strijd en van de jacht; zijn gezicht was fraai gevormd, breed, met groote blauwe oogen, opene en oprechte trekken en mooie tanden, en drukte tegelijk die soort van goede luim uit, welke dikwijls met een oploopend, driftig gemoed gepaard gaat. Hoogmoed en ijverzucht waren in zijn oog te lezen; want hij had zijn leven doorgebracht met rechten te handhaven, die gedurig werden aangevallen; en zijn vurige, moedige en standvastige aard was altijd door de bijzondere tijdsomstandigheden wakker gehouden. Zijn lang, geel haar was gescheiden midden op het voorhoofd, en aan beide zijden tot over de schouders neergekamd; het was nog weinig grijs, ofschoon Cedric reeds zijn zestigste jaar naderde.
Zijn kleeding bestond uit een gewaad van donkergroene kleur, aan den hals en de opslagen bezet met een zekere soort van bont, _minever_ genoemd, dat niet zoo kostbaar was als het hermelijn, en, naar men meent uit grijze konijnevellen gemaakt werd. Dit gewaad hing, zonder toegeknoopt te zijn, over een nauwen scharlaken lijfrok, die dicht om het lichaam sloot; hij droeg een broek van dezelfde kleur, die echter niet verder dan boven de knie ging, welke bloot was. Zijn voeten waren met sandalen bedekt, van vorm dezelfde als die der boeren, maar van fijner maaksel, en van voren met gouden haken vastgemaakt. Hij droeg gouden armbanden en een breede halsketen van hetzelfde kostbare metaal. Om zijn middel sloot een rijk versierde gordel, waarin een kort, recht, tweesnijdend zwaard, met scherpe punt, bijna loodrecht aan zijn zijde hing. Achter zijn stoel hing een scharlaken mantel met pels gevoerd, en een rijk geborduurde muts van dezelfde stof, die de kleeding van den rijken landheer voltooiden, als hij uitging. Een korte jachtspies, met een breede, scherpe stalen punt, leunde ook tegen den rug van zijn stoel, welke hem, naar omstandigheden, tot wandelstaf, of wapen diende. Verscheidene bedienden, wier kleeding trapsgewijs afdaalde van de rijke kleeding van den meester tot de grove en eenvoudige dracht van Gurth, den zwijnenhoeder, volgden de wenken van den Saksischen heer en wachtten op zijne bevelen. Twee of drie dienaren van hoogeren rang stonden achter hun meester op den _daïs_; de overigen waren in het benedenste gedeelte van de zaal. Nog waren er onderdanen van anderen aard; namelijk eenige groote, ruige windhonden, zooals men toen op de wolven- en hertenjacht gebruikte; even zoovele groote honden van sterk, gespierd ras, met dikke halzen, groote koppen en lange ooren; en een paar van die kleinere dieren, welke men dashonden noemt. Allen keken met ongeduld uit naar het avondeten, maar met de aan hun ras eigene gelaatkunde, wachtten zij zich wel het knorrige stilzwijgen van hun meester te storen, waarschijnlijk uit vrees voor een wit knuppeltje, hetwelk naast Cedric's bord lag, om zijn viervoetige lijfeigenen in orde te houden. Slechts een oude, grijze wolfhond had zich, met de vermetelheid van een gunsteling, dicht bij den stoel van Cedric nedergelegd, en zocht van tijd tot tijd zijn opmerkzaamheid te trekken, door zijn grooten ruigen kop op zijns meesters knie, of zijn neus in diens hand te leggen. Maar zelfs deze werd teruggedreven met het strenge bevel: "Weg, Balder, weg! ik ben in geene stemming voor gekheden!"
Cedric was werkelijk, gelijk reeds aangemerkt is, niet in de beste luim. Jonkvrouw Rowena, die naar den avonddienst in een verafgelegen kerk geweest was, keerde zooeven terug en verkleedde zich, daar zij door den regen overvallen was. Er was nog geen bericht van Gurth en zijn kudde, welke reeds lang uit het bosch hadden moeten terug zijn; en zoo groot was de onveiligheid van allen eigendom, dat hun wegblijven zeer goed veroorzaakt kon zijn door een aanval der vrijbuiters, waarvan het naburige bosch wemelde, of door de gewelddadigheid van den een of anderen naburigen edele, die, van zijne macht bewust, de wetten van eigendom even weinig achtte. Het verlies zou van belang geweest zijn, daar een groot gedeelte van den huiselijken rijkdom der Saksische eigenaars uit talrijke kudden varkens bestond, vooral in de boschstreken, waar deze dieren gemakkelijk voedsel vonden.
Behalve deze redenen tot bezorgdheid, verlangde de Saksische _Thane_ ook naar de tegenwoordigheid van zijn gunsteling Wamba, wiens grappen, hoe slecht die ook waren, als een soort van prikkel dienden bij zijn avondmaal en bij de lange teugen wijn, die hij daarbij gebruikte. Voeg bij dit alles, dat Cedric sedert den middag niet gegeten had, en dat het gewoon uur voor het avondmaal reeds lang voorbij was,--op zich zelf reeds eene reden tot toorn voor landjonkers van ouden en lateren tijd. Zijn ongenoegen uitte zich door enkele afgebrokene woorden, deels in zich zelven geprutteld, en deels tegen de bedienden, die rondom hem stonden, en bijzonder tegen zijn schenker, die hem van tijd tot tijd, om hem bedaard te houden, een zilveren beker, met wijn gevuld, aanbood. "Waar blijft Jonkvrouw Rowena?" vroeg hij.
"Zij verandert alleen van hoofdtooi," antwoordde eene vrouwelijke bediende, met al het zelfvertrouwen, waarmede de kamenier van de lievelingsdochter gewoonlijk den vader van een hedendaagsch gezin antwoordt: "Gij zoudt toch niet willen, dat zij met kap en mantel aan tafel kwam? En geene dame in het geheele graafschap is vlugger bij het kleeden dan mijne meesteres."
Dit ontegensprekelijke gezegde lokte een soort van toestemmend "hm!" van den kant des Saksers uit, met het bijvoegsel: "Ik hoop, dat zij mooi weer zal kiezen, den eersten keer, dat zij weder in de St. Janskerk wil gaan bidden;--maar wat, in 's duivels," vervolgde hij tot den schenker, de stem verheffende, alsof hij gelukkig was eene afleiding voor zijn ontevredenheid te vinden, zonder dat hij behoefde te vreezen tegengesproken te worden, "wat houdt, in 's duivels naam, Gurth zoo lang in het veld op? Ik vrees, dat wij slechte tijding van de kudde zullen krijgen; hij was anders een getrouwe en voorzichtige herder, en ik had hem tot iets beters bestemd: misschien zou ik hem tot een mijner knechts [4] gemaakt hebben."
Oswald, de schenker, hernam bescheiden, "dat het nauwelijks een uur geleden was, dat de klok het sein voor het uitdoen van het licht geluid had;" een slecht gekozene verontschuldiging, daar zij gewag maakte van een onderwerp, dat zoo onaangenaam voor Saksische ooren was.
"De duivel hale de klok," riep Cedric uit, "en den wreeden bastaard, die het ingevoerd heeft, en den lagen slaaf, die het met een Saksische tong aan een Saksisch oor noemt! De klok!" ging hij na eene stilte voort, "ja, de klok, welke brave menschen verplicht het licht uit te blusschen, opdat dieven en roovers hunne daden in het duistere verrichten kunnen! Ja, die klok;--Reginald Front-de-Boeuf en Phillippe de Malvoisin kennen het gebruik er van even goed, als Willem de Bastaard zelf, of eenig ander Normandisch gelukzoeker, die bij Hastings vocht. Ik zal vermoedelijk hooren, dat mijn eigendom is weggevoerd, om de uitgehongerde bandieten, die zij alleen door roof en diefstal kunnen onderhouden, van den hongerdood te redden; dat mijn getrouwe slaaf vermoord is, en mijne kudden gestolen zijn;--en Wamba--waar is Wamba? Heeft niet iemand gezegd, dat hij met Gurth was uitgegaan?"
Oswald beantwoordde deze vraag toestemmend.
"Wel--het wordt hoe langer hoe mooier! Hij is weggekaapt--de Saksische nar--om den Normandischen heer te dienen. Gekken zijn wij inderdaad allen, dat wij hun onderworpen zijn, en geschiktere voorwerpen voor hunne verachting en hun spot, dan zij, die maar met een half verstand geboren waren. Maar ik zal mij wreken," voegde hij er bij, toornig over het veronderstelde onrecht, terwijl hij van zijn stoel opsprong en zijn jachtspies greep: "ik zal mijne klachten voor den grooten raad brengen, ik heb vrienden, ik heb aanhangers--man tegen man zal ik den Normandiër in het strijdperk roepen; laat hem komen in staal en harnas, en al wat den lafhartigen moed kan inboezemen; ik heb zulk een spies, als deze, wel door een borstwering heen geworpen, driemaal zoo dik als hunne schilden!--Misschien houden zij mij voor oud, maar zij zullen ondervinden, dat, ofschoon ik alleen en kinderloos ben, het bloed van Hereward nog door Cedric's aderen stroomt.--Ach Wilfrid! Wilfrid!" riep hij op zachteren toon, "hadt gij uw onverstandigen hartstocht kunnen beheerschen, dan stond uw vader niet in zijn ouderdom verlaten daar, gelijk de eenzame eik, die zijn geknakte en onbeschermde takken tegen de volle woede van den storm uitbreidt!" Deze herinnering scheen zijn toorn in droefheid te veranderen. Zijn jachtspies neêrzettende, nam hij weder plaats, sloeg de oogen naar den grond, en scheen geheel in zwaarmoedige gedachten verzonken.
Uit deze overpeinzing werd Cedric plotseling gewekt door het geluid van een horen, hetwelk beantwoord werd door het luidruchtig gehuil en geblaf van alle honden in de zaal, en wel twintig of dertig anderen in het overige gedeelte van het gebouw. Met behulp van den witten stok, en van de bedienden, werd er spoedig een einde gemaakt aan dit hondengeschreeuw.
"Naar de poort, knapen!" zeide de Sakser haastig, zoodra het gedruisch in zoo verre bedaard was, dat de bedienden zijn stem verstaan konden. "Gaat hooren, welke tijding ons die horen brengt;--denkelijk verkondigt men ons de eene of andere gewelddadigheid en rooverij op mijn gebied."
Een der bedienden, die in minder dan drie minuten teruggekeerd was, meldde "dat de Prior Aymer van Jorvaulx, en de edele Ridder Brian de Bois-Guilbert, Kommandeur van de krijgshaftige en eerwaardige orde der Tempelieren, met een klein gevolg, gastvrijheid en huisvesting voor den nacht verzochten, daar zij op weg waren naar een tournooi, dat over twee dagen niet ver van Ashby-de-la-Zouche gehouden zou worden.
"Aymer, Prior Aymer? Brian de Bois-Guilbert?" bromde Cedric; "beide Normandiërs; maar Normandiër of Sakser, de gastvrijheid van Rotherwood moet niet geschonden worden; zij zijn welkom, daar zij goed gevonden hebben hier aan te kloppen,--maar het zou mij nog meer welkom geweest zijn, als zij verder gereden waren. Het zou echter beneden mij zijn, over huisvesting voor een enkelen nacht en een avondmaal te morren; als gasten zullen zelfs Normandiërs hun onbeschaamdheid beteugelen.--Ga, Hundebert," zei hij tot een soort van _Major-domus_, die achter hem stond met een witten staf; "ga, neem zes der bedienden mede, en breng de vreemdelingen in het gastenvertrek. Zie naar hun paarden en muilezels, en zorg, dat het hun gevolg aan niets ontbreke. Geef hun andere kleederen, als zij die begeeren, vuur, en water om zich te wasschen, en wijn en bier. Zeg aan de koks, dat zij schielijk nog iets bij ons avondeten gereed moeten maken; en opdoen, wanneer die vreemdelingen gereed zijn om er aan deel te nemen. Zeg hun, Hundebert, dat Cedric zelf hen verwelkomen zou, zoo hij niet eene gelofte gedaan had nooit verder dan drie stappen van den _daïs_ van zijn zaal iemand te gemoet te gaan, die niet van het koninklijk Saksische bloed is. Ga heen! Verzorg hen goed; laten wij hen niet in hun hoogmoed doen zeggen: de Saksische boer heeft tegelijk zijne armoede en zijne gierigheid getoond."
De _Major-domus_ vertrok met verscheidene bedienden, om de bevelen van zijn meester ten uitvoer te brengen. "Prior Aymer?" herhaalde Cedric, Oswald aanziende: "de broeder, zoo ik mij niet vergis, van Giles de Mauleverer, thans heer van Middleham?"
Oswald bevestigde dit eerbiedig.
"Zijn broeder woont op het landgoed, en heeft het vaderlijke erfdeel vermeesterd van een beter geslacht, dan dat van Ulfgar van Middleham; maar welk Normandisch edele doet dat niet? De prior is, zegt men, een vrije en vroolijke priester, die meer van den wijnbeker en den jachthoren, dan van het kerkklokje en het misboek houdt. Goed, laat hem komen, hij zal welkom zijn. Hoe noemdet gij den Tempelier?"
"Brian de Bois-Guilbert."
"Bois-Guilbert," zeide Cedric, altijd in zich zelven brommende, iets dat hij zich aangewend had door altijd onder zijn minderen te leven, zoodat hij meer met zich zelven sprak, dan met de menschen rondom hem.--"Bois-Guilbert? Die naam is wijd en zijd bekend--ten goede en ten kwade. Men zegt, dat hij niet onderdoet in dapperheid voor de heldhaftigsten van zijn orde; maar dat hij met hunne gewone ondeugden, hoogmoed, verwaandheid, wreedheid en wellust is bevlekt; dat hij een hardvochtig man is, zonder vrees voor de wereld, en zonder ontzag voor den hemel. Dit zeggen de weinige krijgslieden, welke van Palestina zijn teruggekeerd.--Goed; het is maar voor één nacht; hij zal ook welkom zijn.--Oswald, tap van den oudsten wijn; zet de beste mee, den meest schuimenden appelwijn, het dikste _morat_, het welriekendste _pigment_ [5] op tafel; vul de grootste drinkhorens. Tempelieren en Abten houden van goeden wijn en goede maat. Elgitha, zeg aan Jonkvrouw Rowena, dat wij haar dezen avond niet in de zaal zullen verwachten, tenzij het haar bijzonder verlangen zij, hier te komen."
"Maar het zal haar bijzonder verlangen zijn," hernam Elgitha vlug, "want zij is er altijd op gesteld het laatste nieuws uit Palestina te vernemen."
Cedric wierp het neuswijze meisje een blik toe, die een snel opkomende drift verried, maar Rowena, en allen, die haar toebehoorden, waren veilig voor zijn toorn. Hij antwoordde dus slechts: "Stil, meisje, uw tong is te voorbarig! Geef mijne boodschap aan uw meesteres, en laat haar doen, zooals zij verkiest. Hier, tenminste, zal de afstammelinge van Alfred nog als vorstin heerschen." Elgitha verliet het vertrek.
"Palestina!" herhaalde Cedric, "Palestina! hoe velen luisteren naar de verhalen, welke losbandige kruisvaarders, of schijnheilige pelgrims uit dat ongelukkig land medebrengen! Ik zou ook wel willen vragen--ook wel onderzoeken, ook wel met een kloppend hart luisteren naar sprookjes, waardoor listige reizigers onze gastvrijheid afbedelen;--maar neen!--de zoon, die mij ongehoorzaam is geweest, is mijn zoon niet meer; ook wil ik niet meer belang in zijn lot stellen, dan in dat van den onwaardigsten onder de millioenen, die ooit het kruis op den schouder droegen, zich in buitensporigheden en bloedschuld stortten, en dit noemden: "Gods wil doen!""
Hij fronste de wenkbrauwen en sloeg de oogen voor een oogenblik op den grond; toen hij weder opkeek, werden de vleugeldeuren aan het benedeneinde van de zaal wijd opengeworpen, en, voorafgegaan door den _Major-domus_ met zijn staf en vier bedienden met brandende fakkels, traden de gasten het vertrek binnen.
VIERDE HOOFDSTUK.
Ter feestdisch werd gebracht het vleesch van runder, geit, Van 't vette zwijn en schaap, behoorlijk toebereid; Het brood werd rondgedeeld; de bekers volgeschonken, En allen zaten aan en aten zaâm en dronken. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Verwijderd zat alleen Ulysses, lager af, Op nederiger plaats, die hem met voordacht gaf Telemachus.
_Odyssee_, Boek XXI.
Prior Aymer had van de aangeboden gelegenheid gebruik gemaakt, om zijn rijkleed tegen een van nog kostbaarder stof te verwisselen, over hetwelk hij een schoon geborduurden priestermantel droeg. Behalve den grooten, gouden zegelring, welke zijn geestelijke waardigheid aanduidde, waren zijn vingers, ofschoon strijdig met de kerkelijke wet, met edelgesteenten versierd; zijn sandalen waren van het fijnste leder, dat uit Spanje ingevoerd werd; zijn baard was zoo kort gesneden, als de regels van zijn orde maar toelieten; en zijn geschoren kruin was verborgen onder een rijk scharlaken kapje.
De kleeding van den Tempelier had ook een verandering ondergaan, en, schoon met minder zorg versierd, was ze even rijk, en zijn voorkomen meer indrukwekkend, dan dat van zijn metgezel. Hij had zijn maliënkolder verwisseld tegen een onderkleed van donker purper zijde, met bont omzet, waarover zijn lang, vlekkeloos wit bovenkleed in ruime plooien hing. Het achthoekige kruis van zijn orde was op den schouder van zijn mantel in zwart fluweel opgelegd. De hooge muts bedekte zijn voorhoofd niet meer, dat alleen door zijn kort, dik gekruld, pikzwart haar, dat overeenkwam met zijn buitengewoon donkere gelaatskleur, overschaduwd was. Niets zou de bevalligheid en deftigheid van zijn gang en zijn manieren overtroffen hebben, als deze niet ontsierd waren geweest door een in het oog vallenden schijn van hoogmoed, die zoo licht verkregen wordt door het uitoefenen van onbeperkt gezag.
Deze beide aanzienlijke mannen werden gevolgd door hunne bedienden, en op een eerbiedigen afstand door hun gids, wiens persoon verder niets belangwekkends had, dan de gewone kleeding van een pelgrim. Een mantel van grof, zwart laken bedekte zijn geheele lichaam, en geleek in snede op een hedendaagschen huzaren-mantel, met dezelfde slippen tot bedekking der armen: deze droeg den naam van _Sclaveyn_, of _Sclavoniër_. Grove sandalen, met riemen vastgebonden, aan zijn bloote voeten, een hoed met breeden rand, met schelpen omzoomd, en een lange staf met ijzer beslagen, aan welks boveneinde een palmtak was vastgemaakt, voltooiden de kleeding van den pelgrim. Hij hield zich zedig achter de laatsten van het gevolg, en bespeurende, dat de benedenste tafel nauwelijks ruim genoeg was voor de bedienden van Cedric en zijn gasten, ging hij op een bankje zitten, dat naast, of bijna onder een breeden schoorsteen stond, en scheen zich te willen bezighouden met zijn kleederen te drogen, tot het vertrek van den een of ander ruimte aan de tafel zou maken, of tot de gastvrije hofmeester hem op de plaats waar hij nu zat, met ververschingen zou voorzien.
Cedric stond op, ontving de vreemdelingen met eene waardige gastvrijheid, en van het hoogere gedeelte van de zaal afstappende, deed hij drie schreden naar hen toe, en wachtte toen, tot zij naderden.
"Het spijt mij, eerwaardige Prior," zeide hij, "dat mijne gelofte mij verbiedt, om iemand in het huis mijner vaderen verder tegemoet te gaan,--zelfs om zulke gasten als u en dezen dapperen Tempelier te ontvangen. Maar mijn hofmeester heeft u de reden mijner schijnbare onbeleefdheid verklaard. Laat mij ook om verschooning bidden, dat ik in mijne moedertaal tot u spreek, en u tevens verzoeken mij daarin te antwoorden, als gij er zoo veel van verstaat; zoo niet, ken ik Normandisch genoeg, om uw gesprek te volgen."
"Geloften," hernam de Abt, "moeten ongeschonden blijven, waardige _Franklin_, of vergun mij liever te zeggen, waardige _Thane_, ofschoon deze titel verouderd is. Geloften zijn de banden, welke ons met den hemel vereenigen, en die het offer aan het altaar binden; daarom moeten zij--zooals ik reeds zeide--ongeschonden blijven, tenzij onze heilige moeder, de kerk, het tegendeel beslisse. En wat de taal betreft--ik gebruik gaarne die taal, welke mijn geëerde grootmoeder, Hilda van Middleham, sprak, die in den reuk van heiligheid stierf, weinig onder doende, naar ik geloof, voor haar roemrijke naamgenoote, de heilige Hilda van Whitby, God zij harer ziel genadig!"
Toen de Prior deze, naar hij meende, verzoenende woorden had gesproken, zeide zijn metgezel kort en nadrukkelijk: "Ik spreek altijd Fransch, de taal van koning Richard en zijn edelen; maar ik versta de volkstaal genoeg, om mij met de inboorlingen te kunnen onderhouden."
Cedric wierp den spreker een van die driftige, ongeduldige blikken toe, welke vergelijkingen tusschen de beiden om den voorrang strijdende natiën meestal bij hem uitlokten; maar, zich de plichten der gastvrijheid herinnerende, onderdrukte hij ieder verder teeken van ongenoegen, en een wenk met de hand gevende, liet hij zijn gasten twee plaatsen dicht bij de zijne, maar een weinig lager, innemen, en gaf een teeken, om het avondeten op te dragen.
Terwijl de bedienden zich haastten zijne bevelen ten uitvoer te brengen, ontwaarde hij Gurth, den zwijnenhoeder, die zoo even met zijn makker Wamba de zaal was binnen getreden. "Laat die trage kerels hier komen!" riep de Sakser ongeduldig, en toen de schuldigen voor den _daïs_ kwamen, duwde hij hun toe: "Hoe komt het, schelmen, dat gij zoo lang daar buiten rond geslenterd hebt? Hebt gij uwe kudde naar huis gebracht, Gurth, of is zij een buit der stroopers en vrijbuiters geworden?"
"De kudde is in veiligheid, om u te dienen!" zeide Gurth.
"Maar het diende mij in het geheel niet," riep Cedric uit, "twee uren lang het tegendeel te moeten gelooven, en hier op wraak te zitten zinnen tegen mijn buren wegens een onrecht, dat zij mij niet aangedaan hebben. Ik zeg het u, stokslagen en gevangenis zullen de eerste overtreding van dien aard, die gij weder begaat, straffen!"
Gurth, die zijns meesters driftigen aard kende, waagde geene verontschuldiging; maar de nar, die, uit kracht van zijn voorrecht als potsenmaker, op Cedric's toegevendheid kon rekenen, antwoordde voor hen beiden: "Waarlijk, oom Cedric, gij zijt heden avond verstandig noch redelijk."
"Hoe!" zeide zijn meester; "gij zult naar de poortierswoning gezonden worden en daar tucht leeren, als gij uw gekheid den teugel viert op die manier."
"Eerst onderrichte mij uwe wijsheid!" hernam Wamba. "Is het billijk en redelijk den één voor den misslag des anderen te straffen?"
"Zeker niet, nar!" antwoordde Cedric.
"Waarom wilt gij dan den armen Gurth laten slaan, oom, wegens de schuld van zijn hond Fangs? Want ik kan er op zweren, dat wij op weg geen minuut tijds verloren hebben, nadat wij onze kudde bij elkander hadden; wat Fangs niet ten einde bracht voor Vespertijd."
"Hang Fangs dan op," zeide Cedric, zich haastig tot den zwijnenhoeder wendende, "als het zijn schuld is; en maak dat gij een anderen hond krijgt."
"Met verlof, oom," hervatte de nar; "dat zou weder geene stipte rechtvaardigheid zijn; want het is de schuld van Fangs niet, dat hij lam is, en de kudde niet bij elkander kon krijgen; maar de schuld van hen, die zijn beide klauwen afgesneden hebben, waartoe de arme drommel zeker zijne toestemming niet zou gegeven hebben, zoo men hem geraadpleegd had."
"En wie heeft het gewaagd, een dier te verminken, dat aan mijn lijfeigene toebehoort?" vroeg de Sakser, in toorn ontstekende.
"Wel, dat deed de oude Huib," zeide Wamba, "de jachtopziener van den ridder Philippe de Malvoisin. Hij betrapte Fangs, terwijl hij door het bosch dwaalde, en zeide, dat hij jacht op het wild maakte, strijdig met het recht van zijn meester, als houtvester."
"De duivel hale Malvoisin," hervatte de Sakser, "en zijn opziener daarbij! Ik zal hun leeren, dat het woud, volgens de boschwet, in 't geheel geen bosch meer is. Maar genoeg hiervan--Nar, ga op uwe plaats--en gij, Gurth, neem een anderen hond, en zoo de opziener dien durft aanraken, dan zal ik hem het boogschieten verleeren; men schelde mij voor een lafaard uit, zoo ik hem niet den voorsten vinger van de rechterhand afhouw--hij zal geen boog meer spannen.--Ik verzoek u vergiffenis, waardige gasten; ik ben hier door buren omgeven, die niet beter zijn dan de ongeloovigen in het Heilige Land, heer Ridder. Maar uw geringe maaltijd staat gereed; bedient er u van, en laat de goede wil de slechte kost verschoonen."
De maaltijd, intusschen, welke op tafel stond, behoefde geene verontschuldigingen van den kant van den gastheer. Varkensvleesch, op verschillende wijzen toebereid, stond op het benedeneinde der tafel; alsook gevogelte, hertenvleesch, hazen- en geitengebraad en verscheidene soorten van visch, met groote brooden, koeken, en vruchten in honig ingelegd. De kleiner soorten van wild gevogelte, dat er in overvloed was, werden niet in schotels voorgediend, maar op kleine houten braadspitten, en door de pages en knechts, die ze droegen, aan alle gasten aangeboden, die naar welgevallen ervan afsneden. Naast ieder persoon van rang stond een zilveren beker, en aan het benedeneinde der tafel groote drinkhorens. Toen de maaltijd op het punt was van te beginnen, riep de _Major domus_, of huishofmeester, eensklaps zijn staf verheffende, met luider stemme: "Plaats voor Jonkvrouw Rowena!" Eene zijdeur aan het boveneinde der zaal achter de eettafel ging open, en Rowena, door vier harer vrouwen gevolgd, trad binnen. Cedric, ofschoon niet aangenaam verrast door de verschijning van zijne pupil bij deze gelegenheid, ijlde haar tegemoet, en geleidde haar met eerbiedige plechtigheid naar de verhevene plaats aan zijne rechterhand, bestemd voor de vrouw des huizes. Allen stonden op om haar te ontvangen; en, hunne begroeting met eene stomme buiging beantwoordende, nam zij bevallig hare plaats aan de tafel in. Vóórdat zij tijd had dit te doen, fluisterde echter de Tempelier den Prior toe: "Ik zal bij het toernooi geen gouden ketting van u dragen. Gij hebt den Chioswijn gewonnen!"
"Heb ik het niet gezegd?" antwoordde de Prior. "Maar matig uwe verrukking, de _Franklin_ slaat u gade."
Zonder op deze waarschuwing te letten, en gewoon slechts naar de ingeving van zijne wenschen te luisteren, hield Brian de Bois-Guilbert het oog gevestigd op de Saksische schoonheid, die misschien des te meer zijne verbeelding trof, omdat ze zoozeer van de Oostersche Sultanes verschilde.
Geene vrouwelijke gestalte kon heerlijker zijn dan die van Rowena, die, hoe rank ze ook was, door buitengewone grootte toch niet de aandacht tot zich trok. Hare gelaatskleur was buitengemeen blank, maar de edele vorm van haar hoofd en van haar trekken bewaarde voor het gebrek aan uitdrukking, dat soms aan zeer blanke schoonheden eigen is. Haar helderblauw oog, schitterend onder schoon geteekende, bruine wenkbrauwen, die donker genoeg waren om het voorhoofd te doen uitkomen, scheen even vurig als teeder, even gebiedend als smeekend te zijn. Ofschoon zachtmoedigheid de gewone uitdrukking harer trekken was, had het gevoel van meerderheid en de algemeene hulde, die men haar bewees, blijkbaar aan de Saksische jonkvrouw iets hoogmoedigs gegeven, dat met haar natuurlijken aanleg ineengesmolten was. Haar schoon haar, tusschen bruin en blond in, was op grillige, doch bevallige wijze, in talrijke krullen opgemaakt, waarbij de kunst waarschijnlijk de natuur had bijgestaan. Deze lokken waren met edelgesteenten versierd, en hingen in hun volle lengte neder, waaruit men de edele afkomst en den vrijgeboren stand der maagd kon opmaken. Een gouden ketting, waaraan een kleine reliquie van hetzelfde metaal was vastgemaakt, hing om haar hals. Zij droeg armbanden om de bloote armen. Haar kleeding bestond uit een onderkleed en lijfje van lichtgroene zijde, waarover een lang, ruim gewaad hing, dat tot op den grond reikte en wijde mouwen had, die ongeveer tot den elleboog gingen. Dit kleed was karmozijnrood, en uit de allerfijnste wol gemaakt. Een zijden sluier, met goud doorweven, was aan het bovenste gedeelte daarvan bevestigd, welke, naar verkiezing, volgens de Spaansche mode over het gezicht en den boezem kon getrokken worden, of als een draperie om de schouders geslingerd.
Toen Rowena bespeurde, dat de oogen van den Tempelridder op haar gevestigd waren, met een vuur, dat, vergeleken met de donkere holten waarin zij zich bewogen, hun het voorkomen van gloeiende kolen gaf, sloeg zij den sluier met waardigheid over het gelaat, als een teeken, dat de stoute vrijheid van zijn blik haar mishaagde. Cedric zag de beweging en begreep de oorzaak er van. "Heer Tempelier," zeide hij, "de wangen van onze Saksische meisjes zijn nog niet genoeg aan de zon gewend, om den stouten blik van een kruisvaarder te kunnen verdragen."
"Zoo ik beleedigd heb," hernam Brian, "dan verzoek ik vergiffenis,--dat wil zeggen, ik vraag vergiffenis aan Jonkvrouw Rowena,--want de mate mijner nederigheid laat niet toe, dat ik die elders inroep."
"Jonkvrouw Rowena," zeide de Prior, "heeft ons allen gestraft, door de stoutheid van mijn vriend te kastijden. Ik wil hopen dat zij minder wreed zal zijn voor den schitterenden stoet bij het toernooi."
"Het is nog onzeker of wij er heen gaan," zeide Cedric. "Ik ben geen vriend van die ijdele vertooningen, die aan mijne voorouders onbekend waren, toen Engeland vrij was."
"Laat ons evenwel hopen," hernam de Prior, "dat ons gezelschap u moge overhalen om er heen te reizen; als de wegen zoo onveilig zijn, is het geleide van Sir Brian de Bois-Guilbert niet te verachten."
"Heer Prior," antwoordde de Sakser, "waar ik ook in dit land gereisd heb, tot hiertoe, heb ik, met behulp van mijn goed zwaard en van mijn getrouwe dienaars, nog nooit vreemde hulp noodig gehad. Zoo wij nu nog naar Ashby-de-la-Zouche gaan, dan doen wij dat met mijn edelen buur en landsman Athelstane van Coningsburgh, en met een gevolg, dat ons zoowel tegen vrijbuiters, als vijanden van hoogeren stand zal beschermen.--Ik breng u dezen beker wijn toe, heer Prior, welken gij, hoop ik, naar uw smaak zult vinden, en ik dank u voor uw beleefdheid.--Maar zoo gij streng aan uw kloosterregel gehecht zijt, en aan een dronk zure melk de voorkeur geeft, laat dan de beleefdheid u niet dwingen, mij bescheid te doen."
"Neen," zei de Priester lachende, "het is alleen in onze abdij, dat wij ons bij het _lac dulce_ of _lac acidum_ bepalen. Als wij met de wereld verkeeren, volgen wij de gebruiken der wereld, en derhalve doe ik u in dezen heerlijken wijn bescheid, en laat den zwakkeren drank aan mijn leekebroeder over."
"En ik," zei de Tempelier, zijn beker met _Wassail_ [6] vullende, "ik breng dezen dronk aan de schoone Rowena; want sedert haar naamgenoot, lang geleden, dit gebruik in Engeland invoerde, is er nooit iemand deze eer waardiger geweest dan zij. Op mijn woord, de ongelukkige Vortigern verdiende vergiffenis, indien zijn eer en zijn koninklijk half zoo veel in gevaar waren om schipbreuk te lijden, als zij nu zouden zijn."
"Spaar uw beleefdheid, heer Ridder!" hernam Rowena met waardigheid, en zonder zich te ontsluieren; "of liever laat mij daarvan gebruik maken, u te verzoeken mij het laatste nieuws uit Palestina te verhalen; een onderwerp veel aangenamer voor Saksische ooren dan de complimenten, welke de Fransche gewoonten medebrengen."
"Ik heb weinig belangrijks te verhalen," antwoordde Sir Brian de Bois-Guilbert, "behalve de zekere tijding van een wapenstilstand met Saladin."
Wamba, die zijne gewone plaats had ingenomen op een stoel, die met twee ezelsooren versierd was, omtrent twee stappen achter den zetel van zijn meester, die hem van tijd tot tijd spijzen van zijn eigen bord gaf, een gunst echter, welke de nar met de lievelingshonden deelde--waarvan, zooals wij reeds gezegd hebben, verscheidene tegenwoordig waren--viel hem hier in de rede. Dáár zat Wamba, met een tafeltje voor zich, de beenen onder den stoel gestoken, zijn gezicht vertrekkende als een notenkraker, en de oogen half gesloten, evenwel oplettend iedere gelegenheid bespiedende, om van zijn vrijheid als nar gebruik te maken.
"Deze wapenstilstanden met de ongeloovigen," riep hij uit, zonder er zich aan te storen, hoe onverwacht hij den trotschen Tempelier in de rede viel, "maken mij tot een oud man."
"Hoe zoo, schelm?" vroeg Cedric, terwijl zijn blikken toonden, dat hij bereid was om de verwachte aardigheid gunstig op te nemen.
"Omdat ik," hernam Wamba, "mij herinner, dat er drie gedurende mijn leven zijn gesloten, waarvan ieder vijftig jaren moest duren; zoodat, bij elkander gerekend, ik ten minste honderd en vijftig jaren oud moet zijn!"
"Ik wil er u echter borg voor staan, dat gij niet van ouderdom zult sterven," zei de Tempelier, die nu zijn vriend uit het woud herkende; "als gij voortgaat, zulke aanwijzingen aan reizigers te geven, als gij dezen avond aan den Prior en mij gegeven hebt."
"Hoe, schurk!" stoof Cedric op; "reizigers den verkeerden weg wijzen? Gij moet wat met de zweep hebben; gij zijt ten minste even ondeugend als gek."
"Ik bid u, oom," antwoordde de nar, "laat mijne gekheid ditmaal mijn schelmstuk verontschuldigen. Ik heb mij slechts tusschen mijne rechter- en linkerhand vergist; en hij, die een nar tot raadsman en wegwijzer neemt, moet eene kleine dwaling over het hoofd zien!"
Hier werd het gesprek afgebroken door het binnenkomen van den poortierspage, die meldde, dat er een vreemdeling aan de poort was, die toelating en gastvrijheid verzocht.
"Laat hem binnen," zeide Cedric, "wie hij ook zij;--een nacht, zooals die, welke buiten woedt, dwingt zelfs wilde dieren bij de tammen te schuilen, en bescherming te zoeken bij den mensch, hun vijand, liever dan door het geweld der elementen om te komen. Laat in al zijn behoeften voorzien--zorg gij er voor, Oswald!" En de hofmeester verliet de eetzaal, om de bevelen van zijn meester te doen uitvoeren.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Heeft een Jood geen oogen? Heeft een Jood geen handen, zintuigen, gevoelens, zinnen, neigingen, hartstochten? Wordt hij niet met hetzelfde voedsel gevoed, met dezelfde wapenen gekwetst? Is hij niet aan dezelfde ziekten onderhevig? Wordt hij niet door dezelfde geneesmiddelen genezen, door denzelfden zomer en winter warm en koud gemaakt, als een Christen?
Koopman van Venetië.
Oswald fluisterde bij zijn terugkomst zijn meester in het oor: "Het is een Jood, die zich Izaäk van York noemt; past het, dat wij hem in de zaal brengen?"
"Laat Gurth uw ambt verrichten, Oswald," zei Wamba met zijn gewone stoutheid: "de zwijnenhoeder is een geschikt geleider voor den Jood."
"Heilige Maria!" riep de Abt, het teeken van het kruis makende, "zal een ongeloovige Jood in dit gezelschap toegelaten worden?"
"Een hond van een Jood," schreeuwde de Tempelier, "zou een verdediger van het Heilige Graf naderen!"
"Op mijn woord," zei Wamba, "de Tempeliers zijn meer op de erfenis der Joden dan op hun gezelschap gesteld!"
"Bedaard, waarde gasten," zeide Cedric; "mijne gastvrijheid mag niet door uwe ontevredenheid belemmerd worden. Zoo de Hemel de geheele natie van stijfhoofdige ongeloovigen sedert meer jaren geduld heeft, dan een leek tellen kan, kunnen wij de tegenwoordigheid van één Jood wel voor eenige uren verdragen. Maar ik dwing niemand met hem te spreken of te eten.--Geeft hem een tafel en een schotel voor zich, tenzij," zeide hij glimlachende, "deze getulbande vreemdelingen hem in hun gezelschap willen opnemen."
"Edele Sakser," antwoordde de Tempelier, "mijne Saraceensche slaven zijn echte Mohammedanen, en verachten zoo goed als een Christen de gemeenschap met een Jood."
"Wel, waarlijk," zeide Wamba, "ik begrijp niet, waarom de vereerders van Mohammed en den duivel zoo vele voorrechten zouden hebben, boven het vroeger door den Hemel uitverkoren volk."
"Hij zal bij u zitten, Wamba," zeide Cedric; "de nar en de schelm passen goed bij elkander."
"De nar," antwoordde Wamba, de overblijfselen van een ham in de hoogte houdende, "zal zorg dragen, een bolwerk tegen den schelm op te richten."
"Stil," zeide Cedric; "daar komt hij!"
Met weinig plechtigheid binnengeleid, vol vrees en aarzeling en met vele ootmoedige buigingen binnentredende, naderde een lange, magere grijsaard, die echter door de gewoonte van krom te gaan, veel van zijn wezenlijke grootte verloren had, het benedeneinde der tafel. Zijn scherpe en regelmatige trekken, zijn haviksneus, zijn doordringende zwarte oogen, zijn hoog, gerimpelde voorhoofd, zijn lang, grijs haar en lange baard hadden voor schoon kunnen doorgaan, indien ze niet de onderscheidende kenteekens gedragen hadden van een geslacht, dat in die onbeschaafde eeuwen evenzeer verfoeid werd door het lichtgeloovige en bevooroordeelde gemeen, als vervolgd door den inhaligen, roofzuchtigen adel, en dat, misschien door dezen haat en die vervolging, over het algemeen een karakter had verkregen, waarin, om het op het zachtst uit te drukken, tenminste veel laags en onaangenaams was.
De kleeding van den Jood, die geweldig van den storm scheen geleden te hebben, bestond uit een eenvoudig somber gewaad met vele plooien, en een donker purperkleurig kleed er onder. Hij had wijde laarzen aan, met bont gevoerd, en om zijn middel een gordel, waarin een klein mes hing en een koker met schrijfgereedschappen, maar geen wapenen. Hij droeg een hooge, vierkante, gele muts van zonderling maaksel, die aan zijn natie was voorgeschreven, om die van de Christenen te onderscheiden, en welke hij met groote nederigheid bij de deur van de zaal afnam.
De ontvangst van dezen man in de zaal van Cedric den Sakser had zelfs den meest bevooroordeelden vijand van den Israëlitischen stam moeten bevredigen. Cedric zelf knikte hem op zijn herhaald groeten slechts koel toe, en gaf hem een wenk om aan het benedenste einde van de tafel plaats te nemen, waar echter niemand geneigd scheen ruimte voor hem te maken. Integendeel, terwijl hij de rij langs ging, een vreesachtigen, smeekenden blik op iedereen werpende, die het lagere einde der tafel bezette, haalden de Saksische bedienden de schouders op, en gingen voort hun avondeten met grooten ijver te verslinden, zonder in het minste acht te slaan op de behoeften van den nieuwen gast. De bedienden van den Abt maakten een kruis, met teekens van vromen afkeer, en zelfs streken de heidensche Saracenen, toen Izaäk naderde, verontwaardigd de knevels op, en sloegen de hand aan den dolk, alsof zij gereed waren, zich met geweld voor de gevreesde bezoedeling zijner aanraking te vrijwaren.
Mogelijk zouden dezelfde beweegredenen, die Cedric aangezet hadden, zijn zaal voor dezen zoon van een verstooten volk te openen, hem ook bewogen hebben, zijn bedienden een meerdere vriendelijkheid jegens Izaäk aan te bevelen, had niet de Abt hem juist op dit oogenblik in een belangrijk gesprek gewikkeld, over het ras en den aard zijner lievelingshonden, hetwelk hij niet zou afgebroken hebben voor zaken van veel grooter gewicht, dan dat een Jood zich zonder eten te slapen moest leggen. Terwijl Izaäk dus van het gezelschap uitgestooten stond, evenals zijn volk onder de natiën, te vergeefs naar een welkomstgroet en een rustplaatsje omziende, kreeg de pelgrim, die bij den haard zat, medelijden met hem, en stond hem zijn stoel af, deze paar woordjes zeggende: "Oude man, mijn kleederen zijn droog, mijn honger is gestild; gij zijt nog nat en hongerig." Dit zeggende, legde hij de op den grooten haard verstrooide stukken hout bij elkander, en blies het vuur aan; hij nam van de groote tafel een schotel met soep en gekookt geitenvleesch, zette dien op de kleine tafel, aan welke hij zelf gegeten had, en zonder den dank van den Jood af te wachten, ging hij naar de andere zijde van de zaal. Of dit geschiedde, omdat hij niet in nader gesprek wilde treden met het voorwerp zijner mildheid, of omdat hij wenschte bij het boveneinde der tafel te komen, scheen niet duidelijk.
Waren er in die dagen schilders geweest, in staat om zoo iets voor te stellen, dan zou de Jood, terwijl hij zijn magere gedaante voorover boog, en zijn verkleumde en bevende handen boven het vuur hield, geen slecht voorbeeld eener verpersoonlijking van den Winter opgeleverd hebben. Na zich verwarmd te hebben, keerde hij zich begeerig naar den rookenden schotel, die hem was voorgezet, en at met een haast en een zichtbaar genoegen, die schenen aan te duiden, dat hij in lang niets genoten had.
Intusschen zetten de Abt en Cedric hun gesprek over de jacht voort. Jonkvrouw Rowena scheen verdiept in een gesprek met een harer vrouwen; en de trotsche Tempelier, wiens oog beurtelings op den Jood en op de Saksische schoone scheen gevestigd te zijn, was blijkbaar in diep gepeins verzonken.
"Het verwondert mij, waardige Cedric," zei de Abt, "dat gij, niettegenstaande uwe groote vooringenomenheid met uwe eigene krachtige taal, niet het Normandisch-Fransch tenminste uwe gunst waardig keurt, voor zoo verre dit het jachtwezen betreft. Er is zeker geene taal, die zoo rijk is in de verschillende spreekwijzen, welke het jachtvermaak vordert, of die aan den ervaren jager meerdere middelen aan de hand geeft, om zijn heerlijke kunst te beschrijven."
"Eerwaarde vader," hernam de Sakser, "ik moet u zeggen, dat ik weinig werk maak van die overzeesche verfijningen, zonder welke ik mij zeer goed in het bosch vermaken kan. Ik kan op mijn horen blazen, zonder het geluid òf _recheate_ òf _morte_ te noemen. Ik kan mijn honden op het wild aandrijven, en ik kan het vel van een hert aftrekken en het dier uithalen als het gedood is, zonder de nieuwmodische wartaal van _curée_, _arbor_, _nombles_, die van den fabelachtigen Sir Tristram afstamt, te gebruiken." [7]
"Het Fransch," zei de Tempelier, zijne stem verheffende, op den verwaanden en gebiedenden toon, die hem bij alle gelegenheden eigen was, "is niet alleen de natuurlijke taal van de jacht, maar die van de liefde en van den oorlog, waarmede men de vrouwen moet overwinnen en de vijanden verslaan."
"Doe mij bescheid in een beker wijn, heer Tempelier," zeide Cedric, "en schenk den Abt ook in, terwijl ik een dertig jaren achteruit zal gaan, om u iets anders te verhalen. Zooals Cedric de Sakser toen was, behoefde zijn eenvoudige Saksische taal niet door Fransche minnezangers opgesmukt te worden, als hij die in het oor eener schoone wilde fluisteren; en het veld van Northallerton, bij den slag van den Heiligen Standaard, kan getuigen, of het Saksische krijgsgeschreeuw niet even ver in de gelederen van het Schotsche leger gehoord werd, als de _cri de guerre_ van de stoutmoedige Normandische edelen. De nagedachtenis van de dapperen, die daar gevochten hebben! Doet mij bescheid, mijn gasten!" Hij nam een fiksche teug, en vervolgde met toenemend vuur: "Ha! dat was een dag! Toen werden er wat schilden gespleten; honderd banieren wapperden boven het hoofd der dapperen; het bloed stroomde als water, en men wilde liever sterven dan vluchten. Een Saksische _Bard_ zou dien dag een feest der zwaarden genoemd hebben--eene vergadering der arenden over den buit--een geklater van schilden en helmen; een veldgeschrei, vroolijker dan het gejuich eener bruiloft. Maar onze _Barden_ zijn verdwenen; onze daden worden vergeten bij die van een anderen stam; onze taal, zelfs onze naam snelt ten ondergang, en niemand treurt er om behalve een eenzame grijsaard. Schenker, jongen! vul de bekers--op het welzijn der dappersten, heer Tempelier, van welken stam ze ook zijn, en welke taal ze ook spreken mogen, die thans met het meeste vuur in Palestina voor het heilige kruis strijden!"
"Het betaamt geen Ridder, die dit kruis draagt, hierop te antwoorden," zeide Sir Brian de Bois-Guilbert; "maar aan wien, behalve de gezworen kampvechters van het Heilige Graf, kan de palm toegewezen worden onder de strijders voor het kruis?"
"Aan de Hospitaal-Ridders," zei de Abt; "ik heb daar een broeder onder."
"Ik wil hun roem niet te kort doen," zei de Tempelier, "maar--"
"Mij dunkt, vriend Cedric," zeide Wamba, hem in de rede vallende, "dat, als Koning Richard Leeuwenhart de wijsheid had gehad, den raad van een nar te volgen, hij met zijn dappere Normandiërs te huis zou gebleven zijn, en de herovering van Jeruzalem aan diezelfde ridders overgelaten hebben, die de meeste schuld aan het verlies daarvan hadden."
"Waren er geenen in des Konings leger," zeide Rowena, "wier namen waardig zijn, naast de Ridders van den Tempel en van St. Johannes genoemd te worden?"
"Vergeef mij, Jonkvrouw," antwoordde de Bois-Guilbert, "de Koning heeft, inderdaad, een schaar dappere krijgslieden naar Palestina gebracht, die alléén behoeven onder te doen voor hen, die altijd het bolwerk van het Heilige Land geweest zijn."
"Ze behoeven voor _niemand_ onder te doen," zei de pelgrim, die er dicht genoeg bij gestaan had, om te kunnen hooren, en met blijkbaar ongeduld naar het gesprek geluisterd had. Allen keerden zich naar hem, van wien deze onverwachte verzekering kwam. "Ik zeg," herhaalde de pelgrim op vasten toon, "dat onze ridders voor niemand behoeven onder te doen, die ooit het zwaard tot verdediging van het Heilige Land getrokken heeft. Ik zeg ook nog, want ik heb het gezien, dat Koning Richard zelf en vijf van zijn ridders een toernooi hielden na de inneming van St. Jean d'Acre, tegen ieder, die in het strijdperk durfde treden. Ik zeg, dat op dezen dag ieder ridder driemaal streed, en drie vijanden ten onderen bracht. Ik voeg er bij, dat zeven dezer aanvallers Tempeliers waren--en Ridder Brian de Bois-Guilbert is zeer wel overtuigd van de waarheid van hetgeen ik u vertel."
Het is onmogelijk de woede te schilderen, welke het zwartbruine gezicht van den Tempelier nog donkerder kleurde. In de overmaat van zijn toorn en zijn beschaming, tastten zijn bevende vingers naar het gevest van zijn zwaard, en misschien werden ze alleen teruggehouden door de gedachte, dat er geen daad van geweld in die plaats en in zulk gezelschap veilig kon gepleegd worden. Cedric, wiens gedachten zonder argwaan waren en zelden door meer dan één voorwerp tegelijk bezig gehouden werden, lette bij de vreugde, waarmede hij van den roem zijner landslieden hoorde spreken, niet op de toornige verlegenheid van zijn gast. "Ik zal u dezen gouden armband geven, Pelgrim," zeide hij, "zoo gij mij de namen opnoemt van de ridders, die zoo heldhaftig den roem van het schoone Engeland opgehouden hebben."
"Dat zal ik van ganscher harte doen," hernam de pelgrim, "en zonder loon; daar mijne gelofte mij verbiedt, gedurende een zekeren tijd goud aan te raken."
"Ik zal den armband voor u dragen, zoo gij wilt, vriend Pelgrim," zeide Wamba.
"De eerste in eer en in de wapenen, in roem en in stand," zei de pelgrim, "was de dappere Richard, Koning van Engeland."
"Ik vergeef hem!" riep Cedric, "ik vergeef hem zijne afkomst van den dwingeland Willem!"
"De Graaf van Leicester was de tweede," ging de pelgrim voort; "Sir Thomas Multon van Gilsland was de derde."
"Die is tenminste van Saksische afkomst," riep Cedric met vreugde uit.
"Sir Foulk Doilly, de vierde," zei de pelgrim.
"Ook een Sakser, tenminste van moeders zijde," hernam Cedric, die met de grootste oplettendheid luisterde, en zijn haat tegen de Normandiërs voor het oogenblik vergat, in de vreugde over de zegepraal van den Koning van Engeland en zijn Saksische onderdanen. "En wie was de vijfde?" vroeg hij.
"De vijfde was Sir Edwin Turneham."
"Een echte Sakser, bij de ziel van Hengist!" riep Cedric uit. "En de zesde?" ging hij met drift voort; "hoe heet de zesde?"
"De zesde," hervatte de pelgrim na een oogenblik zwijgens, terwijl hij iets scheen te bedenken, "was een jonge ridder van minderen roem en stand; in dat eervolle gezelschap opgenomen, minder om de onderneming te steunen, dan wel om het getal vol te maken--zijn naam is mij ontgaan."
"Heer Pelgrim," zei Sir Brian de Bois-Guilbert verachtelijk, "deze geveinsde vergetelheid, nadat gij u zoo veel hebt te binnen gebracht, komt te laat, om aan uw doel te beantwoorden. Ik zelf zal u den naam noemen van den ridder, voor wiens lans het noodlot en de schuld van mijn paard mij deden bukken--het was de ridder van Ivanhoe: ook was er onder de zes niet één, die, zijn jaren in aanmerking genomen, meer roem in de wapenen verworven had.--Maar dit wil ik luide zeggen, dat, als hij in Engeland was, en bij het toernooi deze week de uitdaging van St. Jean d'Acre durfde herhalen, ik hem met het paard dat ik hier heb, en gewapend zooals ik thans ben, ieder voordeel der wapenen zou toestaan, en dan den uitslag afwachten."
"Als uwe tegenpartij hier ware, zou uwe uitdaging weldra beantwoord worden," hernam de pelgrim. "Zooals de zaak echter staat, behoeft gij deze vreedzame zaal niet te verontrusten met uwe snoeverij, over den uitslag van een gevecht, hetwelk gij wel weet, dat geen plaats kan vinden. Zoo Ivanhoe ooit uit Palestina terugkomt, wil ik er borg voor staan, dat hij het tweegevecht niet afslaat."
"Een fraaie borg!" zei de Tempelier, "en wat kunt gij tot pand geven?"
"Deze reliquie," antwoordde de pelgrim, een ivoren doosje uit den boezem trekkende, en een kruis makende; "die een stuk van het ware kruis bevat, en die ik medegebracht heb uit het klooster van den berg Carmel."
De Prior van Jorvaulx maakte een kruis, en zeide een _paternoster_ op, waaraan allen eerbiedig deel namen, behalve de Jood, de Mohammedanen, en de Tempelier, welke laatste, zonder zijn hoofd te ontblooten, of eenigen eerbied voor de heiligheid der reliquie te toonen, een gouden keten van den hals nam, welke hij op de tafel wierp, terwijl hij uitriep: "Laat Prior Aymer mijn pand en dat van dien naamloozen landlooper bewaren, als een teeken, dat, als de Ridder van Ivanhoe binnen de Britsche zeeën komt, hij op de uitdaging van Brian de Bois-Guilbert moet antwoorden; en, zoo hij ze niet aanneemt, zal ik hem voor een lafaard bij alle Tempeliers van Europa uitmaken."
"Dat zal niet noodig zijn," zei Jonkvrouw Rowena, haar stilzwijgen brekende; "mijn stem zal gehoord worden, zoo geen andere in deze zaal zich ten voordeele van den afwezigen Ivanhoe verheft. Ik verzeker, dat hij iedere eervolle uitdaging ridderlijk zal aannemen. Kon mijn geringe borgtocht eenige meerdere waarde geven aan het onschatbare woord van den heiligen pelgrim, zoo zou ik naam en eer verpanden, dat Ivanhoe dezen trotschen ridder de gevraagde voldoening geeft."
Een menigte tegenstrijdige gevoelens scheen gedurende dit gesprek Cedric vervuld en zwijgende gehouden te hebben. Gestreelde hoogmoed, toorn, verlegenheid, verjaagden elkander op zijn breed, open voorhoofd, gelijk de schaduw der wolken, die over een korenveld drijven, terwijl zijne bedienden, op welken de naam van den zesden ridder een bijna tooverachtige uitwerking scheen te hebben, vol verwachting op het gelaat van hun meester staarden. Maar toen Rowena sprak, scheen de klank van haar stem hem uit zijn gepeins te wekken.
"Rowena," zeide Cedric, "dat past niet; ware een verder pand noodig, dan zou ik zelf, hoe beleedigd, en zwaar beleedigd, ik door hem ben, evenwel met mijn eer voor die van Ivanhoe instaan. Maar het onderpand voor den strijd is voldoende, zelfs volgens de zonderlinge gebruiken van de Normandische ridderschap;--niet waar, eerwaarde vader Aymer?"
"Zoo is het," hernam de Prior, "en de heilige reliquie en de kostbare keten zal ik veilig in de schatkist van het klooster bewaren, tot de kampstrijd beslist is."
Na deze woorden maakte hij verscheidene malen het teeken van het kruis, en na vele kniebuigingen en geprevelde gebeden, gaf hij de reliquie aan broeder Ambrosius, zijn dienstbaren monnik over, terwijl hij zelf met mindere plechtigheden, maar misschien met niet minder inwendig genoegen, den gouden ketting nam, en in een met welriekend leêr gevoerden zak deed, die onder zijn arm hing. "En nu, Sir Cedric," zeide hij, "de kracht van uw goeden wijn doet mij de slaapklok hooren. Sta ons toe, nog één beker op het welzijn der schoone Rowena te ledigen, en veroorloof dan dat wij ons ter rust begeven."
"Bij het kruis van Bromholme," zei de Sakser, "gij doet uw roem weinig eer aan, heer Prior! De faam noemt u een dapperen monnik, die de vroegmis hoort luiden, eer hij zijn beker verlaat; en ik vreesde dat gij mij op mijn ouden dag zoudt beschaamd maken. Maar, op mijn woord, een twaalfjarige Saksische knaap zou, in mijn tijd, zijn beker niet zoo vroeg verlaten hebben."
De Prior had evenwel bijzondere redenen om matig te blijven. Hij was niet alleen van beroep een vredemaker, maar van aard een vijand van alle twisten en geschillen. Dit was niet geheel uit liefde voor zijn naasten, en ook niet geheel uit eigenliefde, maar uit een mengeling van beide. Bij de tegenwoordige gelegenheid vreesde hij het driftig karakter van den Sakser, en voorzag het gevaar, dat de onbuigzame en trotsche geest, waarvan zijn metgezel reeds zoo vele blijken had gegeven, eindelijk eene onaangename uitbarsting zou kunnen veroorzaken. Hij gaf derhalve beleefd te kennen, dat ieder inboorling van een ander land buiten staat was, den feestelijken kampstrijd in het drinken tegen een geharden en sterkhoofdigen Sakser vol te houden; hij maakte met een enkel woord gewag van zijn geestelijken stand, en eindigde met op zijn voorstel, om ter rust te begeven, aan te dringen.